Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan een belanghebbende een verplichte tegenprestatie opdragen. 2.. Bij het opdragen van een verplichte tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: het vermogen van de belanghebbende om die tegenprestatie te kunnen verrichten; de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende worden in aanmerking genomen; de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende worden in overweging genomen; als een belanghebbende al onbeloonde maatschappelijke activiteiten, zoals een vrijwilligerswerk en/ of mantelzorg, verricht wordt daarmee rekening gehouden. 3.. In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan: de belanghebbende die aantoonbaar een vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een verplichte tegenprestatie als bedoeld in deze verordening; de belanghebbende die aantoonbaar mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is en qua omvang minimaal vergelijkbaar is met een verplichte tegenprestatie als bedoeld in deze verordening; de alleenstaande ouder met ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; de belanghebbende voor wie naar het oordeel van het college het uitvoeren van een tegenprestatie belemmerend werkt op zijn re-integratie; de belanghebbende die, naar het oordeel van het college, aantoonbaar voldoende arbeid in deeltijd verricht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel