**1..** De gemeente voert in beginsel een Bibob-onderzoek uit nadat de vastgoedtransactie (verkoop- en verhuur onroerend goed, verlenen van gebruiksrecht, gronduitgifte, vestigen zakelijk recht) tot stand is gekomen indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingsclausule als bedoeld in artikel 5a, sub b van de Wet Bibob is opgenomen én indien op grond van:
eigen ambtelijke informatie, en/of
informatie verkregen van het Bureau, en/of
informatie afkomstig van (een van) de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
verkregen informatie vanuit het OM als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)
overige signalen
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
**2..** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de gemeente, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, periodiek een Bibob-onderzoek uitvoeren op momenten zoals in de overeenkomst bepaald.
Toelichting vastgoedtransacties
Contractsvrijheid
Vanwege de contractsvrijheid kunnen onderhandelingen ook worden afgebroken indien geen sprake is van een ernstig gevaar. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als in de fase van het eigen onderzoek voldoende feiten blijken die duiden op een integriteitsrisico, wanneer de betrokkene weigert om een Bibob-vragenlijst (volledig) in te vullen of aanvullende vragen te beantwoorden of het Bureau concludeert dat sprake is van geen of een mindere mate van gevaar maar er naar het oordeel van de gemeente wel een integriteitsrisico bestaat.
Onder een integriteitsrisico kan worden verstaan dat sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten of er een gevaar bestaat voor aantasting van de reputatie van de gemeente door het aangaan van een vastgoedtransactie. Dit zal per geval zorgvuldig worden afgewogen.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.3