1.De door het college aan delen van de openbare ruimte, aan bouwwerken en
objecten toegekende namen worden zichtbaar en in voldoende aantallen ter
plaatse aangebracht.
2.Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of
buurtaanduiding, met straatnamen, met (verzamel)nummers en
verwijsaanduidingen aan een bouwwerk, een gebouw, een muur, paal, schutting
of andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, is de rechthebbende
daarvan verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden vanwege of op
verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden
aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
3.Het college stelt de rechthebbende tijdig op de hoogte van hun voornemen
om een bord aan te brengen en de rechthebbende dient er zorg voor te dragen
dat naamborden vanaf de openbare weg duidelijk zicht- en leesbaar
blijven.
4.Het is verboden aan delen van de openbare ruimte namen aan te brengen dan
wel te verwijderen en aan een object nummers aan te brengen dan wel te
verwijderen anders dan bedoeld in artikel 2 van deze verordening.
5.Tenzij door het college anders is besloten, is de rechthebbende van een
object verplicht het nummer binnen zes weken na kennisgeving van het besluit
van het college aan te brengen, zoals is bepaald in de technische
uitvoeringsvoorschriften. Indien een object nog niet is voltooid, wordt het
nummer in ieder geval aangebracht voorafgaand aan de melding ’einde
werkzaamheden’ zoals bedoeld in artikel 4.12, lid 4 van de Bouwverordening.
Het college kan een andere termijn bepalen.
6.Bij het ambtshalve toekennen, intrekken of wijzigen van een nummer van een
object dan wel het ambtshalve wijzigen van de naam van een openbare ruimte
kan het college beslissen dat aan de rechthebbende van een object die door
dat besluit wordt geraakt een tegemoetkoming in de kosten wordt gegeven
indien de oorzaak daarvan niet valt te verwijten aan de rechthebbende van
dat object en die gemaakte kosten aantoonbaar zijn.