Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2. › Paragraaf

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening

1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning (objectvergunning) van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op de volgende voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in de nadere regels uit hoofde van het vierde lid: a. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, onder b; b. uitstallingen; c. bouwobjecten; d. reclameborden; e. plantenbakken en banken; f. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen. 4. Het college stelt nadere regels voor de categorieën bedoeld in het derde lid. 5. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Verordening wegen Noord-Brabant 2010. 7. In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel