Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Aanwijzingsbesluit Parkeren Januari 2021

1.. De belasting dient terstond bij de aanvang van het parkeren te worden voldaan door het in werking stellen van de parkeerapparatuur. Daarbij moeten de aanwijzingen en voorschriften, aangegeven op of bij de parkeerapparatuur in acht worden genomen. Van de verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op of bij de parkeerapparatuur kennis gegeven. 2.. Het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt (uitsluitend indien de parkeerapparatuur daarvoor geschikt is en afhankelijk van het soort parkeerapparatuur) door middel van: contante betaling; dan wel langs elektronische weg op de wijze die op of bij de parkeerapparatuur is vermeld of uit de parkeerapparatuur blijkt; het drukken op een knop; 3.. Indien de parkeerapparatuur ter plaatse geschikt is voor contante betaling kan de parkeerbelasting in munteenheden van € 0,10, € 0,20, € 0,50, € 1,00 en € 2,00, hetzij met bankbiljetten van € 5,-, € 10,- en € 20,- worden voldaan. 4.. Het in werking stellen van de parkeerapparatuur kan tevens geschieden door het via een telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer. Hiervan is uitgezonderd de parkeerapparatuur geplaatst bij (delen van) straten genoemd in artikel 1 lid 3 van dit besluit. 5.. Op alle plaatsen, met uitzondering van de plaatsen met een individuele parkeermeter, dient de door de parkeerautomaat vervaardigde bon zichtbaar en leesbaar op het dashboard van het voertuig geplaatst te worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel