De vergunning kan in elk geval ingetrokken worden:
Op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;
Bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij de vergunning wordt overgeschreven;
Wanneer niet langer wordt voldaan aan de voor de vergunninghouder geldende wettelijke vestigingsvereisten;
Indien de vergunninghouder het bij of krachtens deze beleidsregels bepaalde overtreed;
Wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorschriften uit de vergunning;
Als de vergunninghouder niet of niet tijdig de rechten, onder welke naam dan ook verschuldigd, voldoet;
Indien het verkeersbelang dit eist;
Als het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente is;
Bij het niet opvolgen van de aanwijzingen van de toezichthouder.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.4