Naar hoofdinhoud
7.1.1 Vrijhouden van terreingedeelten voor de brandweer Brandkranen en overige bluswaterwinplaatsen dienen vrij en bereikbaar te worden gehouden voor brandweervoertuigen. Bebouwingen achter of nabij het terrein, dienen bereikbaar te zijn en bereikbaar te worden gehouden; Ten behoeve van het verkeer van de hulpverlenende diensten moet een doorgaande route met een breedte van 3,5 meter en een hoogte van 4,2 meter worden vrijgehouden; (Tui-)draden, elektriciteitskabels e.d. welke over de weg zijn gespannen dienen minimaal 4,2 meter boven het straatniveau worden aangebracht. 7.1.2 Terreinindeling De afstand van een tijdelijke inrichting tot iedere andere inrichting (bouwwerk) moet ten minste 5 meter bedragen en dusdanig te zijn geplaatst dat op redelijkerwijs bij brand, overslag kan worden voorkomen; Auto’s, trekkers, aanhangwagens, aggregaten, containers e.d. mogen op het terrein van de inrichting uitsluitend zijn opgesteld op een plaats die door de commandant van de brandweer op tekening is goedgekeurd. 7.1.3 Indeling en constructie van de tijdelijke inrichting(en) De ligging van de tijdelijke inrichting moet met inbegrip van de eventuele benodigde tuidraden en/of scheerlijnen zodanig zijn, dat er voldoende ruimte beschikbaar is voor een snelle en veilige ontvluchting vanuit de inrichting naar een veilige plaats; Vloeren moeten zodanig zijn aangebracht dat een stroef en gesloten vloeroppervlak ontstaat; Kabels en snoeren moeten in geval dat deze over de vloer moeten lopen met goede plakstrips worden afgeplakt, en wel zodanig dat struikelen en/of vallen wordt voorkomen; Rookvorming door bijvoorbeeld een rookapparaat, koudijs of op andere wijze gemaakt mag nooit een veilige en snelle ontruiming verhinderen; 7.1.4 Elektrische installaties. De elektrische installatie moet voldoen aan het gestelde in het normblad NEN 1010; Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting is verboden; Indien de inrichting in de avonduren wordt gebruikt moet in het publiekstoegankelijke gedeelten een nood- en transparantverlichting te worden aangebracht; Onmiddellijk boven elke voor ontvluchting bestemde doorgang moet een transparantverlichtingsarmatuur worden aangebracht met vluchtrouteaanduiding; De tekst moet voldoen aan het gestelde in het normblad NEN 3011; De transparantverlichting moet permanent te branden gedurende de aanwezigheid van personen. 7.1.5 Blusmiddelen. Nabij eventueel te plaatsen verkooppunten, waar voeding- en genotmiddelen worden gebakken of gekookt moet een blustoestel met een inhoud van ten minste 6 kg poeder; 5 kg koolzuursneeuw of gelijkwaardige vulling aanwezig zijn; Een draagbaar blustoestel moet zijn voorzien van een geldige Rijkskeurmerk met rangnummer en moet overeenkomstig de norm NEN 2559 jaarlijks worden onderhouden. Een blustoestel moet zijn voorzien van een label of sticker waarop de laatste controledatum is aangegeven; In de onmiddellijke nabijheid van een bak-, braad- of frituurtoestel moeten goed passende deksels of een blusdeken aanwezig zijn om het toestel in geval van brand te kunnen afdekken. 7.1.6 Gasinstallatie De aanwezige losse gastank(s) en/of gasflessen, mogen er niet meer zijn dan de benodigde werkvoorraad per dag. Een losse gasfles/tank mag een waterinhoud hebben van ten hoogste 115 liter; De ruimte waarin de gasflessen staan moet voldoende geventileerd zijn; Een flessengasinstallatie moet blijvend voldoen aan het bepaalde in NEN 3324, uitgave 1965, NEN 3324-A (aanvulling op NEN 3324), uitgave 1971 en NPR 2921; De eventuele opstelling tussen gasflessenopslag en/of overige voor verwarming bestemde brandstoffen in de tijdelijke inrichting, moet minimaal 5 meter bedragen, De opslagplaats van de gasflessen achter de wagens/kraam mag niet toegankelijk zijn voor publiek en moet voorzien zijn van het opschrift “ROKEN EN OPEN VUUR VERBODEN” in 8 cm. Drukhouders dienen goed geventileerd te zijn in de buitenlucht en beschermd tegen opwarming door zonnestraling. Het gebruik van LPG anders dan voor tractiedoeleinden is verboden; Gasflessen moeten voorzien zijn van een door Lloyds Register-Stoomwezen erkend geldig keurmerk. Gasflessen waarvan de goedkeuring, blijkens de ingeponste datum, meer dan 10 jaar geleden heeft plaatsgevonden zijn verboden; Flessen en tanks mogen slechts tot 80% worden gevuld. Een lege fles moet altijd met gesloten afsluiter worden bewaard; Afsluiters moeten tegen beschadigingen zijn beschermd. Indien de bescherming bestaat uit een afneembare kop, moet deze bij niet aangesloten flessen zijn opgeschroefd; Het gebruik van een reduceer (drukregelaar) ouder dan 5 jaar is verboden; Het verbruikstoestel mag alleen op de standplaats in werking zijn. Tijdens het transport van de bakwagen moeten de afsluiters van gasflessen en/of gastank te allen tijde gesloten zijn; Alle toegepaste appendages moeten van een door Lloyds Register-Stoomwezen goedgekeurd type zijn; Het leidingnet moet zijn uitgevoerd als een vaste metalen leiding. Aan het einde van elk aftakpunt van de vaste leiding naar een gebruikstoestel moet zich een afsluiter bevinden; Het gebruik van een slang is alleen toegestaan voor aansluiting van een verbruikstoestel op het leidingnet, als koppelslang tussen een tank/fles en het leidingnet en als koppelslang tussen een tank/fles en een manifold; Elke verbindingsslang tussen drukhouder en een verbruikstoestel e.d. moet: Zijn vervaardigd van synthetische rubber met één of meer staaldraad en/of textielinlagen; Zijn bevestigd door middel van slangklemmen op slangpilaren; Vrij en ongespannen zijn aangelegd; Zodanig zijn aangebracht dat blootstelling aan ontoelaatbare temperatuursinvloeden en/of mechanische beschadiging wordt voorkomen; De gasslang mag maximaal 2 jaar oud zijn en zo kort mogelijk zijn gehouden. De maximale slanglengte voor een tijdelijke opstelling mag 10 meter bedragen; Propaanslangen zijn erin twee uitvoeringen: de oranje/bruin gekleurde, met op de slang het jaar van aanmaak aangegeven en de zwarte slang met vaste metalen koppelingen. Het jaar van fabricage is hier ingeponst op de metalen koppeling;. Het leidingnet en het toebehoren moeten iedere 2 jaar en zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven (bijvoorbeeld bij wijzigingen en reparaties) worden gekeurd en beproefd. Van de beproeving moet een door of vanwege de installateur getekende verklaring bij de gebruikers aanwezig zijn, welke mede door de vergunninghouder is ondertekend. Het leidingsysteem en het toebehoren moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren.

Rechtspraak bij dit artikel