Naar hoofdinhoud
1.. Besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 7.1 genoemde regels worden aangemerkt als omgevingsvergunningen genomen krachtens deze verordening. 2.. Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen op het gebied van de fysieke leefomgeving waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist worden afgehandeld krachtens deze verordening. Aanwijsbesluiten genomen op basis van de Erfgoedverordening worden eveneens aangemerkt als aanwijsbesluiten krachtens deze verordening. 3.. Handhavings- en gedoogbesluiten op basis van de in artikel 7.1 genoemde regels worden aangemerkt als handhavings- en gedoogbesluiten genomen krachtens deze verordeningen. 4.. Aanwijzingsbesluiten van toezichthouders bij of krachtens de in artikel 7.1 genoemde regels worden aangemerkt als aanwijsbesluiten van toezichthouders genomen krachtens deze verordening. 5.. Op bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 7.1 genoemde regels wordt beslist met inachtneming van deze verordening. 6.. Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig en in gebruik zijn geldt de schriftelijke toestemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning krachtens deze afdeling. 7.. Indien het college van oordeel is dat een schriftelijke toestemming dan wel reeds verleende vergunning als bedoeld in het vierde lid niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening kan zij de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen hij het college nadere informatie over de leiding dient te verschaffen of een aanvraag voor een vergunning moet indienen, bij gebreke waarvan de schriftelijke toestemming bij een door het college te bepalen tijdstip komt te vervallen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel