De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, kan door het college
worden ingetrokken:
als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
als blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 3.5, derde lid, niet naleeft;
voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.
de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument, het beeldbepalend pand of beeldbepalende structuur zwaarder dient te wegen;
als niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning substantieel gebruik wordt gemaakt van de vergunning.
Hoofdstuk 3 › § 3.1.2
Artikel 3.8
Intrekken van de omgevingsvergunning
Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving Gouda