Algemene bepalingen
Goedkoopst adequaat
Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. In eerste instantie moet bepaald worden of de te verstrekken voorziening adequaat is. Zijn er twee of meer voorzieningen adequaat, dan wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening. Met het begrip goedkoopst adequaat wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven toereikend.
Het gaat om de goedkoopste voorziening vanuit het gezichtspunt van het college, dus de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Toch kan het college rekening houden met een kostenafweging in bredere zin. Dit is het geval bij het vraagafhankelijk vervoer bij PlusOV. Het vraagafhankelijk vervoer heeft een bepaalde omvang nodig om te kunnen draaien. Ook kan het voorkomen dat het college volgens wet en verordening niet verplicht is om de maatwerkvoorziening te verstrekken, terwijl deze voorziening veel zorgkosten voorkomt op andere plekken in het zorgdomein. In dit laatste geval kan het college de samenwerking zoeken met andere wettelijke partijen.
Langdurig noodzakelijk
Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de inwoner voor langere tijd aangewezen dient te zijn op een desbetreffende aanpassing, hulpmiddel of dienst. Voor tijdelijke beperkingen wordt geen maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo verstrekt. Dit betekent dat de eindsituatie van de inwoner bekend moet zijn alvorens een maatwerkvoorziening te verstrekken. Een uitzondering hierop kan gelden bij de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp. Deze maatwerkvoorziening kan ingezet worden in crisissituaties en heeft dan in principe juist een tijdelijk karakter om een gezin de mogelijkheid te geven een aantal zaken te regelen. Ook kunnen huishoudelijke hulp en begeleiding kortdurend ingezet worden bij situaties waarbij herstel of verbetering van de situatie te verwachten is en er binnen korte tijd geen beroep meer gedaan hoeft te worden op een maatwerkvoorziening.
Over het algemeen wordt onder langdurig noodzakelijk voor hulpmiddelen verstaan: in ieder geval langer dan 6 maanden. Voor tijdelijke hulpmiddelen kan iemand een beroep doen op de uitleen van hulpmiddelen vanuit de thuiszorgwinkels via de Zorgverzekeringswet. Bij begeleiding wordt onder langdurig noodzakelijk langer dan 3 maanden verstaan. Als begeleiding langer dan 3 maanden noodzakelijk is, kan deze de gebruikelijke hulp overstijgen.
Er wordt niet rigide met de termijn van 3/6 maanden omgegaan. Bij een terminale inwoner wordt een maatwerkvoorziening niet zonder meer geweigerd als er mogelijk geen sprake is van een langdurig gebruik. Ook de prognose van de belemmeringen kunnen van belang zijn. Zegt de prognose dat de inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen, aanpassingen of diensten kan functioneren, dan kan toch van een kortdurende noodzaak worden uitgegaan, al is dit langer dan 6 maanden.
Bij een wisselend beeld zal in de regel uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselende beeld permanent is.
In overwegende mate op het individu gericht
De maatwerkvoorziening dient vooral op het individu gericht te zijn. Met op het individu gericht zijn worden de volgende punten bedoeld:
een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening is niet mogelijk. Er moet altijd één individuele aanvrager zijn die de voorziening aanvraagt;
een voorziening wordt alleen verstrekt voorzover het die specifieke aanvrager betreft.
De voorziening is dus gericht op het individu, waarbij wel rekening wordt gehouden met zijn sociale situatie en omgeving.
Kosten voorafgaand gemaakt aan de melding en/of aanvraag
Er wordt in de regel geen maatwerkvoorziening verstrekt voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van de aanvraag heeft gemaakt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het moment waarop de kosten gemaakt zijn. Zijn de kosten gemaakt vóór de melding bij de gemeente dan wordt er in de regel geen maatwerkvoorziening verstrekt. Zijn de kosten gemaakt na de melding en/of aanvraag (en voor beschikken) dan kan het het college besluiten tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening indien het college:
vooraf uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven; of
de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
De maatwerkvoorziening is reeds eerder verstrekt
Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt als eenzelfde voorziening al eerder is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Een uitzondering hierop wordt gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de aanvrager. Is een derde partij schuldig aan het verloren gaan van de voorziening dan kan die aansprakelijk gesteld worden.
Wanneer iemand van een adequate, aangepaste woning wil verhuizen naar een niet-adequate woning dan wordt deze woning niet opnieuw aangepast. In situaties waarbij de verhuizing mogelijk niet te vermijden is, zoals bij gezinsuitbreiding of echtscheiding, kan een uitzondering gemaakt worden.
Afwegingskader
Er is voor alle maatwerkvoorzieningen een gelijkluidend afwegingskader. Wanneer dat noodzakelijk is, wordt bij de afzonderlijke resultaten specifiek ingegaan op onderdelen uit dit afwegingskader. Na het gesprek, dat gevoerd is naar aanleiding van een melding, wordt een ondersteuningsplan opgesteld. De (on)mogelijkheden worden per onderdeel van het afwegingskader in het ondersteuningsplan opgenomen. Vanuit het afwegingskader beoordeelt het college in hoeverre andere wetgeving, eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk, gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen kunnen leiden tot het verminderen of wegnemen van de beperkingen. Dit betekent dat elke hulpvraag vanuit dezelfde methodiek wordt benaderd. Persoonskenmerken, behoeften en voorkeuren van de inwoner spelen altijd een nadrukkelijke rol binnen het onderzoek. Ogenschijnlijk gelijke aanvragen kunnen gezien de omstandigheden waarin de inwoner verkeert leiden tot verschillende oplossingen. In het onderzoek wordt samen met de inwoner en diens netwerk gezocht naar oplossingen. Hieronder volgt de verdere uitwerking van het algemene afwegingskader.
Andere wetgeving
Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen door een beroep te doen op andere wetgeving? Het college beoordeelt allereerst in hoeverre andere wetgeving voorziet in een oplossing voor de hulpvraag.
De Wmo ligt dicht aan tegen andere wetten, zoals de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz), de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet op de kinderopvang. Elke wet kent eigen regels en een eigen doel. Als een oplossing gevonden kan worden voor de beperking door een beroep te doen op andere wetgeving, dan wordt dit van de inwoner gevraagd. Overigens krijgt het college binnen de Wmo de opdracht om ondersteuning te verlenen in afstemming op andere wetgeving. Er wordt dus van het college overleg en samenwerking gevraagd met de uitvoerders van andere wetten. Waar mogelijk zorgt de gemeente dan ook voor een warme overdracht van de inwoner wanneer andere wetgeving aan de orde is.
Voorbeelden:
De inwoner vraagt op grond van de Wmo om in aanmerking te komen voor een rolstoel met als doel deze rolstoel voor incidentele uitstapjes te gebruiken. De inwoner dient hiervoor een beroep op de Zorgverzekeringswet te doen, die de uitleen van deze rolstoelen organiseert via de Thuiszorgwinkels;
De inwoner die een beroep doet op de Wmo ten aanzien van het kunnen zorgen voor de kinderen, wordt allereerst verwezen naar de mogelijkheden op grond van de Wet op de kinderopvang.
Indien er in uitzonderlijke gevallen onduidelijkheid bestaat over de vraag of een andere wettelijke regeling voorziet in het bieden van een oplossing voor de hulpvraag én het betreft een spoedeisende situatie, dan kan de gemeente besluiten om op grond van de Wmo tijdelijk ondersteuning in te zetten.
Aanspraak op verblijf en zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz)
Een maatwerkvoorziening voor begeleiding hoeft niet verstrekt te worden als een inwoner een Wlz-indicatie heeft. Dit geldt ook als een inwoner deze indicatie nog niet heeft en weigert mee te werken bij het aanvragen van deze indicatie, terwijl hij daar mogelijk wel recht op heeft. Huishoudelijke hulp voor zelfstandig wonende personen met een Wlz-indicatie is met ingang van 2017 overgegaan naar de Wlz.
Vanaf 1 januari 2020 worden mobiliteitshulpmiddelen voor bewoners van Wlz-instellingen (met of zonder behandeling) niet meer vergoed vanuit de Wmo, maar vanuit de Wlz. Voor inwoners die zelf hun woonlasten betalen, vallen mobiliteitshulpmiddelen én roerende voorzieningen onder de Wmo. Het mobiliteitshulpmiddel is een begrip uit de Wlz en omvat vanaf 1 januari 2020 naast rolstoelen ook scootmobielen, aangepaste fietsen, aangepaste wandelwagens en aangepaste autostoeltjes voor kinderen. Roerende voorzieningen voor Wlz-cliënten die wonen in een Wlz-instelling worden altijd vanuit de Wlz gefinancierd. Dit zijn hulpmiddelen voor zorg en wonen die door meerdere cliënten te gebruiken zijn.
De betrokken partijen hebben afgesproken dat er een faseringsregeling komt voor de Wlz cliënten in een instelling die nu al een mobiliteitshulpmiddel van de gemeente hebben. Deze mobiliteitshulpmiddelen blijven na 1 januari 2020 onder verantwoording van de gemeenten voor onderhoud en reparatie totdat het hulpmiddel vervangen moet worden.
Eigen kracht
Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen op eigen kracht en met eigen oplossingen? Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner in hoeverre de inwoner in staat is op eigen kracht zijn beperkingen te verminderen of weg te nemen.
Onder eigen kracht worden de mogelijkheden verstaan die mensen hebben om hun leven zo in te richten dat zij hun problemen bij zelfredzaamheid of ondersteuning zelf verminderen of voorkomen.
Voorbeelden:
Als gevraagd wordt om in aanmerking te komen voor een woningaanpassing, maar een herindeling van het meubilair maakt de huidige woning ook geschikt, dan heeft dit de voorkeur boven een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo;
Een inwoner die een beroep doet op begeleiding omdat er beperkingen zijn ten aanzien van het bijhouden en het nakomen van zijn of haar gemaakte afspraken, wordt allereerst verwezen naar een agendabeheersysteem op de eventueel aanwezige computer/laptop of naar een agenda-app zoals te downloaden via de eventueel in het bezit zijnde smartphone;
Van iedere inwoner wordt verwacht dat hij zijn huisvesting aanpast op zijn levensfase. Voor ouderen betekent dit dat zij bijtijds nadenken over het krijgen of behouden van geschikte woonruimte bij toenemende ouderdomsgebreken;
Eenvoudige algemeen aanschafbare aanpassingen aan de woning om het gebruik daarvan te verbeteren, bijvoorbeeld een eenvoudige douchestoel, drempelhulpen, het aanbrengen van steunpunten of een tweede trapleuning. Bij de voorzieningenhoofdstukken worden meer voorbeelden gegeven van algemeen aanschafbare voorzieningen.
Gebruikelijke voorzieningen
Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met gebruikelijke voorzieningen?
Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner bij elke hulpvraag of de inwoner gebruik kan maken van gebruikelijke voorzieningen.
Bij gebruikelijke voorzieningen gaat het om producten of diensten die de inwoner kunnen helpen bij de zelfredzaamheid en participatie en die algemeen verkrijgbaar of toegankelijk zijn. Voorzieningen of producten die gebruikelijk zijn, komen niet voor verstrekking in aanmerking. Het gaat hierbij om voorzieningen die naar de geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de aanvrager behoren. De beoordeling, wat in het betreffende geval als gebruikelijk wordt beschouwd, vindt plaats op basis van jurisprudentie en maatschappelijke ontwikkelingen.
Specifiek gaat het om voorzieningen die:
in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, dus direct beschikbaar;
niet speciaal voor mensen met beperkingen bedoeld zijn;
niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel;
voor niet-ondersteuningsbehoevenden in een vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon kunnen worden gerekend.
Bij de voorzieningenhoofdstukken worden voorbeelden gegeven van gebruikelijke voorzieningen.
Gebruikelijke hulp
Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met gebruikelijke hulp? Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner bij elke hulpvraag of er sprake is van gebruikelijke hulp.
Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg, die partners, ouders, inwonende kinderen en huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Dat betekent dat van huisgenoten verwacht wordt dat zij, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, elkaar ondersteunen en taken van elkaar overnemen. Gebruikelijke hulp is aan de orde bij alle huisgenoten ouder dan 18 jaar en in beperkte mate bij kinderen en jongeren onder de 18 jaar.
Bij het beoordelen of er sprake is van gebruikelijke hulp is het van belang om toeval en willekeur te voorkomen. Het hangt van de sociale relatie af welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp gebruikelijk is. Als het gebruikelijk is dat mensen elkaar in een bepaalde situatie zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.
Per situatie wordt bekeken of de huisgenoot ook daadwerkelijk in staat is tot het verlenen van gebruikelijke hulp. Als er sprake is van een zeer korte levensverwachting, kan dit een reden zijn om geen gebruikelijke hulp te verlangen.
Gebruikelijke hulp bij huishoudelijke taken
Partners/ouders/huisgenoten:
Van partners, ouders en huisgenoten (18+) mag in beginsel worden verwacht dat zij gebruikelijke hulp kunnen bieden. Ook naast een fulltime baan of fulltime studie. Het kan hierbij gaan om huishoudelijke taken, maar ook om het begeleiden van kinderen binnen het normale patroon van dagelijkse begeleiding van ouders aan kinderen. Soms is de huisgenoot structureel een aantal dagen of nachten afwezig en kan hij dus de gebruikelijke hulp niet leveren. In dat geval kan het college ondersteuning inzetten voor taken die niet kunnen blijven liggen tot de huisgenoot weer thuis is.
Kinderen:
Kinderen leveren maar beperkt gebruikelijke hulp. Zorgvuldig moet gekeken worden naar de bijdrage die op een bepaalde leeftijd van een kind verwacht mag worden. De ontwikkelingsfase én het feitelijke vermogen van het kind spelen hierbij een rol. Bij hulp in het huishouden leveren kinderen een beperkte bijdrage afhankelijk van hun leeftijd, Tot 5 jaar leveren kinderen geen bijdrage aan het huishouden. Kinderen van 5 – 12 jaar worden binnen hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen en een boodschap doen. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen daarnaast hun eigen kamer op orde houden (bijvoorbeeld opruimen, bed verschonen en stofzuigen).
Jongeren van 18 tot 23 jaar:
Vanaf 18 jaar wordt iemand verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen voeren. De gebruikelijke hulp wordt bij jongeren tot 23 jaar die bijvoorbeeld bij één van de ouders wonen die ondersteuning nodig heeft, afgestemd op de capaciteiten die van hem verwacht worden.
Gebruikelijke hulp bij het bieden van begeleiding en het voeren van regie
Bij begeleiding is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen kortdurende en langdurige situaties.
Hoofdregel:
Als er sprake is van een kortdurende situatie, wordt van de partner, ouder of inwonende huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent voor die periode. Het gaat hierbij om een periode van maximaal 3 maanden;
Als er sprake is van een chronische situatie, wordt van de partner, ouder of inwonende huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent binnen algemeen aanvaarde maatstaven.
Binnen algemeen aanvaardbare maatstaven is in ieder geval:
het bieden van begeleiding op het gebied van maatschappelijke participatie;
het begeleiden bij het normaal maatschappelijke verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts enzovoort;
het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie;
het leren omgaan door derden, zoals familie en vrienden, met de persoon met beperkingen (waaronder kinderen).
Grenzen aan gebruikelijke hulp
In de volgende situaties zal gebruikelijke hulp in de regel niet of niet volledig aan de orde zijn:
Een werkende partner/huisgenoot is beroepshalve minimaal 7 etmalen aaneengesloten van huis. Bijvoorbeeld in het geval van een internationale vrachtwagenchauffeur of bij offshore werkzaamheden;
Er is sprake van een dreigende (medische) overbelasting van de gebruikelijke zorgverlener. Bijvoorbeeld als gevolg van een combinatie van gebruikelijke zorg met grote psychische belasting;
In crisissituaties bij bijvoorbeeld het plotselinge overlijden van de (verzorgende) partner/ouder met jonge kinderen of bij een korte levensverwachting van de zorgvrager;
Bij personen waar in redelijkheid niet meer verwacht kan worden dat de gebruikelijke hulp aangeleerd kan worden;
Kinderen bieden in de regel geen gebruikelijke hulp als het gaat om het begeleiden van hun ouders of broertjes en zusjes. Ook hier geldt net als bij huishoudelijke taken dat naarmate het kind ouder wordt er meer ondersteuning verwacht kan worden.
Mantelzorg
Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met mantelzorg?
Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner bij elke hulpvraag of er sprake is van mantelzorg.
De wet omschrijft mantelzorg als, artikel 1.1.1 eerste lid Wmo:
hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
Bij het verlenen van mantelzorg gaat het om ondersteuning die niet afgedwongen kan worden. Mantelzorg overstijgt de gebruikelijke hulp, het is geen zorg in het kader van een hulpverlenend beroep. Van belang is dus een goede balans tussen draagkracht en draaglast van de mantelzorger. In tegenstelling tot vrijwilligerswerk is er bij mantelzorg sprake van zorg vanuit de relatie die de mantelzorger met de inwoner heeft.
In de in 2016 vastgestelde Nota Mantelzorgondersteuning stelt de gemeente Hattem zich ten doel om mantelzorgers op een goede manier te ondersteunen in hun mogelijkheden om voor kortere of langere duur mantelzorg goed in hun leven in te passen.
Voorbeelden:
De begeleiding die een dementerende inwoner (die zonder toezicht niet alleen thuis kan blijven) krijgt van zijn partner. Als zoon of dochter wekelijks een dag bij een ouder zijn, zodat de andere ouder eigen activiteiten kan ontplooien.
Sociaal netwerk
Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met hulp van andere personen uit het sociale netwerk? Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner bij elke hulpvraag in hoeverre er hulp geboden wordt of kan worden vanuit het sociale netwerk.
Wettelijk gezien is er weinig verschil tussen mantelzorg en hulp vanuit het sociale netwerk.
De wet omschrijft het sociale netwerk als:
personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt.
Onder huiselijke kring wordt verstaan een familielid, huisgenoot of mantelzorger.
Toch noemt de wetgever mantelzorg en hulp uit het sociale netwerk apart. Bij mantelzorg gaat het in de regel om hulp/ondersteuning van iemand die dicht tot zeer dicht bij de inwoner staat. Bovendien is mantelzorg naar zijn aard intensiever dan hulp vanuit het sociale netwerk.
Onder het sociale netwerk vallen niet alleen huisgenoten of mantelzorgers, maar iedereen met wie
de inwoner regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, vrienden, geloofsgenoten of leden van de hobbyclub. De Wmo 2015 vindt het redelijk om van de inwoner te vragen dat hij binnen zijn sociale netwerk hulp en ondersteuning zoekt.
Veel inwoners vinden dit moeilijk. Van het loket zorg & welzijn wordt verwacht dat zij de inwoner ondersteunen bij het stellen van de vraag om hulp/ondersteuning binnen zijn sociale netwerk. Daarom is het goed om hier nadrukkelijk bij stil te staan tijdens het onderzoek dat verricht wordt na de melding.
Voorbeelden:
Het structureel doen van boodschappen door de buurvrouw. Het ondersteunen bij de administratie door een gemeentelid.
Algemene voorzieningen
Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met algemene voorzieningen die de gemeente zelf heeft georganiseerd of die andere organisaties realiseren?
Het college beoordeelt in samenspraak met de inwoner of er algemene voorzieningen zijn waarvan de inwoner gebruik kan maken.
In de wet wordt de algemene voorziening als volgt gedefinieerd, artikel 1.1.1 eerste lid Wmo 2015:
Een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.
Er zijn veel verschillende algemene voorzieningen. Een algemene voorziening wordt bekostigd of gefaciliteerd door de gemeente.
Voorbeelden:
De Brede Basisvoorziening inclusief het Geheugensteunpunt, mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning bij Stichting Welzijn Hattem;
Hulp bij thuisadministratie en financiën: “Op KO€RS” bij Stichting Welzijn Hattem.
Het is van belang dat algemene voorzieningen gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning en inzichtelijk zijn voor zowel inwoners, vrijwilligers als professionals. De sociale kaart biedt hierbij belangrijke ondersteuning.
Maatwerkvoorziening
Als het bovenstaande afwegingskader geen oplossingen biedt die leiden tot het verminderen of wegnemen van de beperkingen, zal het college beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening is aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen, en vormt samen met de inzet van eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk, een samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk. De volgende hoofdstukken bevatten een afwegingskader voor de maatwerkvoorzieningen en geven de relatie aan met de algemene voorziening.
Inzet informele hulp niet altijd mogelijk
Bij Begeleiding crisis, begeleiding intensief, begeleiding perspectief en de Integrale Hersteltrajecten is, gezien de vereiste professionaliteit de inzet van informele hulp niet mogelijk (zie de productbeschrijvingen op www.zorgregiomijov.nl: Documenten en downloads - Zorgregio Midden-IJssel/Oost-Veluwe). Hierbij is sprake van acute en hoge intensiteit van zorg of begeleiding gericht op ontwikkeling, waarvoor formele hulp in natura ingezet moet worden.
Artikel 4