Naar hoofdinhoud
1.. Bij het bepalen van de hoogte van de boete wordt rekening gehouden met het feit dat de boete binnen een redelijke termijn kan worden afbetaald. Dit vindt plaats door de boete af te stemmen op de draagkracht van belanghebbende door de fictieve draagkracht te vermenigvuldigen met 24 maanden in geval van opzet, 18 maanden in geval van grove schuld, 12 maanden in geval van normale verwijtbaarheid en 6 maanden in geval van verminderde verwijtbaarheid. 2.. Onder fictieve draagkracht wordt verstaan de financiële ruimte boven 90% van de toepasselijke uitkeringsnorm op het moment van het opleggen van de boete. 3.. Indien belanghebbende geen inkomen heeft of het inkomen bedraagt minder dan 90% van de toepasselijke uitkeringsnorm, dan wordt de fictieve draagkracht analoog aan artikel 24a van het Wetboek van Strafrecht vastgesteld. 4.. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid geldt voor de belanghebbende die ten tijde van het opleggen van de boete andere inkomsten heeft dan een uitkering, is het aan de belanghebbende om inzage te geven in zijn inkomenspositie. Indien de belanghebbende geen inzage geeft, dan wordt de hoogte van de boete niet aangepast op de fictieve draagkracht van de belanghebbende. 5.. Bij de beoordeling van de hoogte van de boete kan naast de fictieve draagkracht uit inkomen tevens rekening worden gehouden met het vermogen zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid van de Participatiewet. Waarbij niet als vermogen wordt aangemerkt 20% van de vermogensgrens zoals bedoeld in het derde lid van artikel 34 van de Participatiewet. 6.. Bij recidive wordt de maximale aflossingsduur, bepaald door de mate van verwijtbaarheid, gerespecteerd bij de bepaling van de hoogte van de recidive-boete.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel