Naar hoofdinhoud
Gelet op het bepaalde van artikel 27 Participatiewet wordt een verlaging toegepast zodra er sprake is van het bewonen van een woning maar dat de belanghebbende als gevolg van zijn woonsituatie lagere bestaanskosten heeft dan die waarin de bijstandsnorm voorziet. De verlaging bedraagt 20% van de gehuwden norm (= 100% ML = art. 21 aanhef onder b PW). Er is sprake van lagere of het ontbreken van woonkosten als: de belanghebbende geen huur- of hypotheekkosten verschuldigd is, ongeacht of er sprake is van het hebben van andere woonkosten (krakers); een derde de woonkosten van de woning betaalt (onderhoudsplichtige die de woonkosten van de ex betaalt). Begripsbepalingen: In deze beleidsregel wordt onder een woning verstaan een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel k Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3, lid 6 WWB; Onder woonkosten wordt verstaan: indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag; indien een eigen woning wordt bewoond, het maandelijks te betalen bedrag ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente. Schoolverlaters Participatiewet, Artikel 28 Het college kan voor de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm (en dan hebben het over de normen in zijn algemeen, zoals opgenomen in paragraaf 3.2 participatiewet >o.a. jongerennormen, normen 21 – pensioengerechtigd en afwijking norm gehuwden) gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Een bijstandsuitkering is hoger dan de normbedragen levensonderhoud studiefinanciering. Aannemelijk is dat de belanghebbende tijdens zijn studieperiode zijn bestedingen heeft afgestemd op het lage inkomen uit studiefinanciering. Deze bestedingen nemen noodzakelijkerwijs niet onmiddellijk toe als hij zijn studie beëindigt en als schoolverlater aanspraak op bijstand maakt. Daarom heeft de wetgever het mogelijk gemaakt heeft om op grond van art. 28 in bepaalde gevallen gedurende zes maanden de norm lager vast te stellen als de belanghebbende recentelijk zijn scholing of beroepsopleiding heeft beëindigd. Het verlagen van de bijstandsuitkering is o.g.v. de wettekst in alle situaties mogelijk, dus ook wanneer er sprake is van het toepassen van de kostendelersnorm. De vraag rijst dan of door het gelijktijdig toepassen van de kostendelersnorm en verlaging vanwege schoolverlaten er sprake is van een onredelijke lage bijstandsuitkering. Dit blijkt niet het geval te zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel