Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 7

Artikel 7

Onderdeel van Protocol meldingen calamiteiten en geweld

1.. Na een melding vergaart de toezichthouder voldoende kennis van de relevante feiten en belangen om te kunnen vaststellen of de situatie een bedreiging kan zijn voor de veiligheid van cliënten of de maatschappelijke ondersteuning of anderszins voor het leveren van verantwoorde maatschappelijke ondersteuning en aanleiding kan geven tot het nemen van maatregelen. 2.. De toezichthouder stelt in de bevestiging, bedoeld in artikel 6, eerste lid, de aanbieder in de gelegenheid om binnen een termijn van zes weken met inachtneming van de in de bijlage gestelde eisen, eerst zelf onderzoek te doen naar de relevante feiten, tenzij de aard van de melding of informatie over de aanbieder de toezichthouder aanleiding geeft dit niet te doen. De toezichthouder kan op verzoek van de aanbieder de termijn verlengen. 3.. De toezichthouder kan te allen tijde zelf onderzoek verrichten, indien hij dat nodig oordeelt. 4.. Indien de toezichthouder zelf het onderzoek doet: deelt hij elektronisch aan de aanbieder mede binnen welke termijn het onderzoek zal plaatsvinden; hoort hij de aanbieder en zo mogelijk, andere personen die direct zijn betrokken bij de feiten waarop de melding betrekking heeft, tenzij dit naar zijn oordeel niet relevant is voor het onderzoek; wint hij het advies in van een of meer deskundigen, indien dat naar zijn oordeel van belang is voor het onderzoek. 5.. Van het horen als bedoeld in het vierde lid, onder b, wordt een ambtsedig verslag gemaakt. Het verslag wordt voorgelegd aan degenen met wie gesproken is. Zij krijgen de gelegenheid om binnen twee weken schriftelijk of elektronisch te reageren op eventuele feitelijke onjuistheden in het verslag. De ondertekende reacties worden als bijlage gevoegd bij het verslag en in het verslag verwerkt dan wel gemotiveerd terzijde gelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel