Naar hoofdinhoud
1.. Een voorstel aan de raad, uitgaande van één of meer raadsleden, niet zijnde een voorstel als bedoeld in de artikelen 35 en 36 van dit reglement, moet schriftelijk en door de voorsteller(s) ondertekend, worden ingediend bij de voorzitter opdat het initiatiefvoorstel op de agenda van de eerstvolgende oriënterende raadsbijeenkomst wordt geplaatst. 2.. De voorzitter stelt het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid hun mening omtrent een initiatiefvoorstel schriftelijk aan de raad kenbaar te maken. 3.. Indien hij zich niet met het initiatiefvoorstel kan verenigen, kan het college de raad adviseren het voorstel niet te aanvaarden dan wel na wijziging te aanvaarden. 4.. Indien de indieners het voorstel - al dan niet naar aanleiding van het advies van het college - wijzigen, doen zij daarvan schriftelijk mededeling aan de voorzitter. Deze stelt vervolgens de raad in kennis van de wijzigingen. 5.. De voorzitter stelt het initiatiefvoorstel aan de orde op de door de raad vastgestelde datum ongeacht of het college zijn mening ten aanzien van het voorstel kenbaar heeft gemaakt, tenzij de voorstellers de voorkeur geven aan behandeling op een latere datum. Indien zij de voorkeur geven aan behandeling op een latere datum, doen zij daarvan mededeling aan de raad. 6.. Het spreken bij de behandeling van het initiatiefvoorstel geschiedt in de volgorde indiener(s), raad, college, indiener(s). 7.. Het bepaalde in de leden 2 tot en met 6 is van overeenkomstige toepassing op de burgemeester voor zover het voorstel raakt aan de bevoegdheden genoemd in titel III hoofdstuk XI van de Gemeentewet. In die gevallen dient in de leden 2 tot en met 6 voor ‘het college’ te worden gelezen ‘de burgemeester’

Rechtspraak bij dit artikel