Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de in artikel 49, lid 3 aangewezen plaatsvervangende leden tijdens een vergadering van de raad, in de handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:
"Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot plaatsvervangend lid van de oriënterende raadsbijeenkomsten benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in deze functie te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als plaatsvervangend lid van de oriënterende raadsbijeenkomsten naar eer en geweten zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!"
(Dat verklaar en beloof ik!").
Hoofdstuk
Artikel 50
Beëdiging niet-raadsleden als plaatsvervangend lid
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad 2014