Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II › Paragraaf 1

Artikel 15

Subsidievaststelling en -uitbetaling

Onderdeel van Subsidieverordening onderhoud gemeentelijke monumenten Bronckhorst

1.. Het volledig verleende subsidie kan uitsluitend worden vastgesteld als de wijze waarop het onderhoud is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden overeenkomstig de “Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van onderhoud van monumenten”, zoal genoemd in artikel 5, eerste lid. 2.. Ten behoeve van werkzaamheden die niet overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde uitvoeringsvoorschriften zijn uitgevoerd, wordt geen subsidie vastgesteld. 3.. Ter vaststelling van het subsidie voor onderhoud worden binnen vier maanden na de feitelijke beëindiging van de werkzaamheden aan burgemeester en wethouders overgelegd: a. een gespecificeerde, aan de begroting gerelateerde, financiële verantwoording van de werkelijk gemaakte kosten; b. een verklaring van de gemeente, waaruit blijkt of het onderhoud is uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden in de beschikking tot subsidieverlening en op welke datum de feitelijke beëindiging van de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden heeft plaatsgevonden; c. een berekening van het college van burgemeester en wethouders waaruit blijkt tot welk bedrag de onderhoudskosten door dat college subsidiabel worden geacht op grond van de voorwaarden in de beschikking tot subsidieverlening; d. indien de betaalbewijzen mede betrekking hebben op kosten van personeel dat in loondienst is bij het bedrijf van de aanvrager danwel op door de aanvrager in loondienst genomen personeel voor het uitvoeren van de onderhoudswerkzaamheden, of op door de aanvrager ten behoeve van zijn bedrijf verrichte arbeid, een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt hoeveel arbeidstijd en voor welk bedrag door dat personeel of de aanvrager aan die onderhoudswerkzaamheden is besteed, alsmede de wijze waarop deze kosten zijn voldaan; indien van toepassing een verklaring, waaruit blijkt dat op grond van de Wet op de omzetbelasting (Staatsblad 1968, 329) geen B.T.W. verschuldigd is over de gemaakte subsidiabele kosten. 4.. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat naast de in het derde lid genoemde bescheiden ook andere bescheiden worden overgelegd. 5.. Bij de vaststelling van het subsidie worden in ieder geval niet als subsidiabele kosten aangemerkt de kosten die uit- gaan boven de raming van het totaal aan subsidiabel geachte kosten in de begroting die aan de subsidieverlening ten grondslag heeft gelegen. Meer- en minderwerk voor uitgevoerde werkzaamheden, mits subsidiabel geacht, kunnen binnen dit totaal met elkaar worden verrekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel