Naar hoofdinhoud

Artikel 19.2.

De faillissementsvordering

Onderdeel van Leidraad Invordering Gemeente Duiven 2021

19.2.1.Aan te melden schulden in faillissement In een faillissement vallen de belastingschulden voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring dan wel materieel zijn ontstaan na de faillietverklaring, maar voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel blijkt. Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement die niet voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring, zijn niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschulden worden aangemeld. De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid of tijdstip en doet twee aparte vorderingen: één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld; één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt. Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet kan de ontvanger niet eerder aanmelden dan nadat de termijnen die aan die aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen. De ontvanger splitst de voorlopige aanslagen naar tijdsevenredigheid of tijdstip. 19.2.2.Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een surseance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen op grond van artikel 249 Fw worden beschouwd als boedelschulden in het faillissement. Het bepaalde in artikel 19.1 van de Invorderingswet is op deze schulden en de belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze van toepassing. 19.2.3.Opkomen in faillissement Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen maakt de ontvanger geen gebruik, tenzij bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de invordering daartoe noodzaken. In alle gevallen waarin de ontvanger in het faillissement opkomt, vermeldt hij in de vordering dat hij aanspraak maakt op eventuele voorrang. Als de curator tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet voldoet, dan wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de ontvanger zich rechtstreeks verhalen op de boedel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel