**1..** De beheerder van het openbare riool kan met het oog op het beperken van wateroverlast een gebied aanwijzen waarbinnen vanaf percelen niet in een gemeentelijke rioolvoorziening wordt geloosd, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden;
**2..** Ten aanzien van de hemelwaterberging gelden de volgende eisen:
Bij een uitbreiding van het bebouwd oppervlak tot maximaal 2000 m2 heeft de hemelwaterberging ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak.
Bij een uitbreiding van het bebouwd oppervlak vanaf 2000 m2 komt de bergingseis terug in de watertoets.
De hemelwaterberging wordt zo ontworpen dat deze binnen 24 uur weer beschikbaar is.
**3..** De hoeveelheid hemelwater die niet kan worden geborgen in de hemelwaterberging kan onder voorwaarden middels een noodoverloop geloosd worden op een nader aan te wijzen openbare rioolvoorziening.
**4..** Bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt de beheerder van het openbare riool rekening met de Omgevingsvisie, het Integraal Maatschappelijk Beheerkader en het bijbehorend Programma Water en Riolering.
**5..** De beheerder kan ontheffing verlenen op het treffen van de hemelwaterberging, bedoeld in het eerste lid, als van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater of grondwater kan worden gevergd. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
**6..** De gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de 7e week van bekendmaking, met dien verstande dat per aangewezen gebied het lozingsverbod geldt vanaf de data zoals genoemd in de gebiedsaanwijzing.
**7..** Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 3