Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.3

Artikel 4.3.6

De gebieden en de criteria

Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Aa en Hunze houdende regels omtrent het welstandsbeleid 2020

Gebied 1Esdorpenlandschap Gebiedsbeschrijving Het esdorpenlandschap binnen de gemeente Aa en Hunze ligt ten westen van, en op de Hondsrug. De esdorpen en de escultuur kennen een lange ontwikkelingsgeschiedenis. De ruimtelijke organisatie van deze landbouwcultuur met de boerderijen, de essen, de heide, beekdalen en bebossing is vandaag de dag nog steeds herkenbaar. De dorpen Annen, Gieten en Gasselte vormen de oostelijke rand van dit welstandsgebied. Ook het Drents Plateau rond de dorpen Anloo, Rolde en Grolloo en de Drentsche Aa met de daaraan gelegen buurtschappen maken deel uit van dit welstandsgebied. Dankzij het feit dat de bebouwing van oudsher in de dorpen was geconcentreerd is de bebouwing van het esdorpenlandschap pas later op gang gekomen. Met name na 1900 is dankzij de ontginning van de woeste gronden een ontwikkeling gestart waarbij bewoning van het gebied tot stand kwam. Het karakter van het gebied wordt nu bepaald door enige solitaire bebouwing op groene percelen enigszins verscholen in het landschap. Daarnaast zijn er enkele kleine linten waar de bebouwing onderdeel is van een groter geheel. Waardering, beleid en ontwikkeling De waarde van het esdorpenlandschap bestaat vooral uit de zichtbaarheid van de essen, de beekdalen, de hoogteverschillen, de bebouwing, het beeldbepalende groen en de afleesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van de gemeente. Het beleid is gericht op het beschermen van de bijzondere kenmerken van de bebouwing en het landschap. Nieuwe ontwikkelingen zullen met respect voor de bestaande bebouwing en het landschap moeten worden ingepast. Onder nieuwe ontwikkelingen worden verstaan “ontwikkelingen waarvoor de planologische procedures nog moeten worden gevolgd.” Welstandscriteria Esdorpenlandschap Ligging Bestaande nokrichtingen handhaven. Nieuwe toevoegingen op vergelijkbare wijze in het landschap plaatsen. Oriëntatie bestaande bebouwing handhaven. Bestaande voorgevelrooilijn ten opzichte van de weg handhaven. Bebouwing op erven compact houden en zichtlijnen handhaven. Hoofd- en bijgebouwen vormen samen een cluster. Bijgebouwen ondergeschikt in positie, dat wil zeggen ruim achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw Ruimte tussen de percelen/erven respecteren. Massa en vorm Rechthoekige grondvorm of samengesteld uit rechthoekige grondvormen. Gebouwen zijn individueel herkenbaar. Hoofd- en bijgebouwen vormen een samenhangend geheel. Kap is dominant in het beeld. De goothoogte is minder dan de helft van de bouwhoogte. Kap is zadeldak, eventueel voorzien van wolfseind(-en) en/of aanvallend dakschild. Dakkapellen voldoende ondergeschikt aan het dak van het hoofdgebouw en niet op een tweede verdieping in het dakvlak of hoger geplaatst. Gevelopbouw Gesloten gevelbeeld, dat wil zeggen geen opvallende grote gevelopeningen in het zicht van de openbare ruimte. Gevels voorzien van gevelopeningen en/of andere gevelelementen met verticale richting. Voor niet naar de weg gekeerde achtergevels gelden de algemene criteria. Detaillering Eenvoudige kleinschalige detaillering. Materiaal en kleurgebruik (voor boerderijen zie hoofdstuk 5 paragraaf 1, deel A) Voor de hoofdgebouwen gemetselde roodbruine of geelbruine gevels. Combinatie met donkere houten geveldelen is mogelijk mits qua beeld vanaf de straat ondergeschikt aan het metselwerk. Rietdaken of donkere pannendaken al dan niet in combinatie met elkaar. Bij de in het bestemmingsplan als “karakteristiek” aangeduide gebouwen en bij monumenten, zijn de pannen niet glimmend, tenzij dit historisch is te verantwoorden. Voor overige gebouwen zijn geglazuurde of geëngobeerde pannen toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan, die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Bijgebouwen ondergeschikt in materiaal- en kleurgebruik. Op agrarisch bouwpercelen kunnen zowel de agrarische gebouwen als de dienstwoning vanuit de agrarische bestemming worden gezien als hoofdgebouw. Op deze percelen moet deze regel daarom als volgt worden vertaald: ‘Een gebouw, op een agrarisch bouwperceel, waarin geen dienstwoning is ondergebracht, is ondergeschikt qua materiaal en kleurgebruik aan de dienstwoning. Hier zijn andere materialen dan metselwerk, pannen (of riet) toegestaan, mits ondergeschikt qua kleur en glansgraad en van voldoende kwaliteit. Dienstwoningen worden behandeld als hoofdgebouw. Als de dienstwoning deel uitmaakt van een boerderij mogen alleen op het dak van het bedrijfsgedeelte andere materialen worden toegepast dan pannen (of riet), mits ondergeschikt qua kleur en glansgraad.’ Maatvoering stenen en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering. Stenen bij voorkeur in waalformaat. Bij aanpassingen en verbouwingen aan monumenten en de als karakteristiek bestemde gebouwen geen plaatmateriaal en geen kunststof en aluminium kozijnen toepassen. Beschermde gebouwen Voor Rijks- en provinciale monumenten en de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en gebouwen in beschermde dorpsgezichten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie en nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 2Veenkoloniaal landschap Gebiedsbeschrijving Het veenkoloniale landschap ligt ten oosten van de Hondsrug. De grootschalige vervening van het gebied is begonnen nadat vanuit de randveendorpen een aanvang was gemaakt. De vervening is per blok opgepakt vanuit het noorden richting het zuiden. Er is sprake van een systeem van kanalen en dwars daarop gelegen wijken. Deze structuur is nog herkenbaar hoewel bepaalde kanalen en wijken zijn gedempt. In de vervening zijn langs de kanalen en de wegen in het gebied boerderijen gebouwd. De weinige bebouwing buiten de dichtbebouwde linten was over het algemeen zeer eenvoudig en kleinschalig en is in de loop der tijd aangepast aan de eisen van de tijd. Veel authentieke bebouwing is ook aan de linten hierdoor niet meer aanwezig. De bebouwing is gekoppeld aan de wegen en ligt soms op ruime afstand van deze wegen. Ook onderling is er sprake van ruime afstand zodat het gebied als zeer open wordt ervaren. De hoofdvorm van de bebouwing is eenvoudig rechthoekig of conform het boerderijtype van een voorhuis met een verbreding naar achteren. Aangekapte uitbouwen en zijbeuken komen dankzij aanpassingen ook voor. De bebouwing is traditioneel van stijl en veelal opgetrokken uit rode stenen met een rood- of antracietkleurig pannendak. De gevels zijn gesloten van karakter. Waardering, beleid en ontwikkeling De waarde van het veenkoloniale landschap bestaat uit het patroon van de bebouwing in relatie tot het landschap. Er is waardering voor de openheid van de binnenvenen in het Hunzedal en de lintbebouwing langs de slingerende weg van de randveenontginningen aan de oostzijde van het Hunzedal. Verder naar het oosten geldt waardering voor de meer grootschalig ontgonnen veenkoloniën met rechtlijnige kanalen, wijken en lintbebouwing. Nieuwe elementen zullen altijd met respect voor het landschap moeten worden ingevoegd. Een goede erfinrichting is daarbij van belang. Welstandscriteria veenkoloniaal landschap Ligging Nokrichting gelijk aan de verkavelingsrichting, in hoofdzaak loodrecht op de weg. Hoofd- en bijgebouwen vormen samen een cluster. Bijgebouwen ondergeschikt in positie, dat wil zeggen ruim achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. Ruimte tussen de percelen/erven respecteren. Massa en vorm Rechthoekige grondvorm, al of niet met krimpen. Hoofd- en bijgebouwen vormen een samenhangend geheel. Kap domineert het beeld. Dakkapellen voldoende ondergeschikt aan het dak van het hoofdgebouw en niet op een tweede verdieping in het dakvlak of hoger geplaatst. Gevelopbouw Gesloten gevelbeeld, dat wil zeggen geen opvallende grote gevelopeningen in het zicht van de openbare ruimte. Gevels voorzien van gevelopeningen en/of andere gevelelementen met verticale richting. Voor niet naar de weg gekeerde achtergevels gelden de algemene criteria. Detaillering Eenvoudige, stoere details met een kleine schaal Materiaal en kleurgebruik (voor boerderijen zie paragraaf hoofdstuk 5 Deel A paragraaf 1) Voor de hoofdgebouwen gemetselde rood - roodbruine gevels of houten gevels in donkere, gedekte kleurstelling. Combinatie met met donkere houten geveldelen is mogelijk mits qua beeld vanaf de straat ondergeschikt aan het metselwerk. Rode- of antracietkleurige pannendaken. Bij de in het bestemmingsplan als “karakteristiek” aangeduide gebouwen en bij monumenten, zijn de pannen niet glimmend, tenzij dit historisch is te verantwoorden. Voor overige gebouwen zijn geglazuurde of geëngobeerde pannen toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Bijgebouwen ondergeschikt in materiaal- en kleurgebruik aan het hoofdgebouw. Bij toepassing van plaatmaterialen, deze in gedekte kleur en voldoende reliëf. Maatvoering stenen en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering, bij voorkeur stenen waalformaat. Bij aanpassingen en verbouwingen aan monumenten en de als karakteristiek bestemde gebouwen geen plaatmateriaal en geen kunststof en aluminium kozijnen toepassen. Algemeen Voor Rijks- en provinciale monumenten en de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en gebouwen in beschermde dorpsgezichten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie en nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 3 Historische kern esdorp/esgehucht Gebiedsbeschrijving De structuur van de esdorpen is verschillend; soms bestaand uit een boerderijenreeks langs een weg op de rand van de es, of een groepering van de boerderijen rond de samenkomst van een aantal wegen. Kenmerkend zijn de brinken met hun zware beplantingen en de informeel gesitueerde boerderijen. De vorm van de brink wisselt. In de loop van de tijd zijn in de meeste dorpen delen van de brink bebouwd. In de grotere dorpen is door de verdichting en bebouwing langs de wegen aan de es de ruimtelijke relatie met de es geheel of gedeeltelijk verdwenen. In de gemeente Aa en Hunze zijn Schipborg, Annen, Gasteren, Eext, Anderen, Deurze, Balloo, Ekehaar, Amen, Grolloo, Gasselte en Schoonloo als esdorpen te typeren. De kernen van Annen, Gieten en Rolde zijn deels ingedeeld bij dit welstandsgebied. Een deel van de kern Anloo is aangewezen als beschermd dorpsgezicht en geniet hierdoor al een grote bescherming. Voor de rest van het oude deel van de kern biedt deze gebiedsbeschrijving de criteria voor Anloo. Het beeld van de historische kern wordt bepaald door de vrije situering van de deels monumentale boerderijen, de zware beplantingen, de open erven en de doorkijken naar groene, open ruimten. Eveneens kenmerkend is de menging van functies. De in de grotere dorpen aanwezige centrumfuncties liggen verspreid en gemengd met woningen en voormalige agrarische bedrijven. In Annen, Rolde en Gieten is sprake een verminderd herkenbaar beeld door de aanwezigheid van geconcentreerde winkelbebouwing en andere functies in het hart van het dorp. De gebieden die dankzij centrumontwikkeling het typische karakter van een esdorp hebben verloren zijn beschreven onder ‘Centrumgebied’. De bebouwing is vrijstaand, informeel gesitueerd en individueel herkenbaar en heeft een gevarieerde nokrichting. Latere bebouwing bestaat vooral uit woonhuizen met een vastere rooilijn georiënteerd op de weg. De hoofdgebouwen hebben een enkelvoudige bouwmassa, bestaande uit één bouwlaag met forse kap. De gevels in een roodbruine tot beige bruine steen zijn verticaal geleed en eenvoudig gedetailleerd. De dakbedekking bestaat vaak uit riet, soms in combinatie met pannen. De bijgebouwen zijn op informele wijze op het erf gesitueerd en nemen ten opzichte van het hoofdgebouw een bescheiden positie in. Meestal zijn ze vrijstaand en hebben een enkelvoudige bouwmassa. De gevels zijn van baksteen, donker geverfd hout (zwart) of een combinatie hiervan. De daken zijn met riet of met pannen afgedekt. Waardering, beleid en ontwikkeling De waardering voor deze kernen is hoog; vanwege de karakteristieke boerderijen met open erven, de fraaie brinken met zware bomen en de doorkijken naar het omringende landschap. Het landelijk gebied dringt via een reeks van grote en kleine open ruimten het dorp binnen. Via deze open ruimten zijn er vanuit het esdorp fraaie vergezichten naar het landschap. Het beleid is gericht op behoud van het waardevolle bebouwingsbeeld en de ruimtelijke structuur. Verder is versterking en herstel van de cultuurhistorische waardevolle opbouw van deze kernen een beleidspunt. Welstandscriteria historische kern esdorp/esgehucht Ligging Bij vervanging en uitbreiding zijn in principe de huidige voorgevellijn en de nokrichting bepalend. Indien hiervan wordt afgeweken, zal het ruimtelijk karakter met informeel gesitueerde bebouwing en gevarieerde nokrichtingen ook in de vernieuwde situatie het beeld blijven bepalen. Bij vervanging en uitbreiding van gebouwen wordt de ruimte tussen de gebouwen op het perceel gerespecteerd. Bijgebouwen ondergeschikt in positie, dat wil zeggen ruim achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bijgebouwen vormen een cluster met het hoofdgebouw. Ruimte tussen de percelen/erven respecteren. Massa en vorm De gebouwen zijn individueel herkenbaar. De hoofdgebouwen hebben een enkelvoudige bouwmassa. Toegevoegde elementen zoals erkers, dakkapellen en aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm Een forse kap domineert het beeld (van de hoofd- en bijgebouwen). Hoofd- en bijgebouwen vormen een samenhangend geheel. De vorm van de kap beperkt zich tot het zadeldak, het schilddak en de mansardekap. De kap kan zijn uitgevoerd met een wolfseind en/of aanvallend dakschild. Dakkapellen voldoende ondergeschikt aan het dak van het hoofdgebouw en niet op een tweede verdieping in het dakvlak of hoger geplaatst. Gevelopbouw Gesloten gevelbeeld, dat wil zeggen geen opvallende grote gevelopeningen in het zicht van de openbare ruimte. Verticaal gelede gevelopeningen. Kleinschalige vlakverdeling winkelgevels. Voor niet naar de weg gekeerde achtergevels gelden de algemene criteria. Detaillering Sobere, maar zorgvuldige detaillering waarin plaats is voor beeld ondersteunende accenten. Bij uitbreiding sluit de detaillering aan bij het bestaande, bijvoorbeeld het zware kozijnhout. Horizontale accenten worden aangebracht door gootlijsten en erkers. Bestaande verschillen tussen woon- en bedrijfsdeel van (voormalige) agrarische bebouwing handhaven. Materiaal- en kleurgebruik (voor boerderijen zie hoofdstuk 5.1 deel A) Dakbedekking van pannen, antracietkleurig of riet, of combinatie hiervan Bij de in het bestemmingsplan als “karakteristiek” aangeduide gebouwen en bij monumenten, zijn de pannen niet glimmend, tenzij dit historisch is te verantwoorden.. Voor overige gebouwen zijn geglazuurde of geëngobeerde pannen toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Gevels van baksteen in een rood – roodbruine of beige – bruinbeige kleurstelling. Combinatie met donkere houten geveldelen is mogelijk mits qua beeld vanaf de straat ondergeschikt aan het metselwerk. Geveldelen en/of houtgevels van bijgebouwen in bruinzwart tot zwarte kleur. Maatvoering stenen, voegwerk en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering, bij voorkeur stenen in waalformaat. Bijgebouwen en bijschuren boerderijen ondergeschikt in materiaal- en kleurgebruik. Bij aanpassingen en verbouwingen aan monumenten en de als karakteristiek bestemde gebouwen geen plaatmateriaal en geen kunststof en aluminium kozijnen toepassen. Algemeen Voor Rijks- en provinciale monumenten en de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en gebouwen in beschermde dorpsgezichten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie en nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 4 Bebouwing tussen Hondsrug en Hunze Gebiedsbeschrijving Tussen Bonnen en Gasselte zijn de streken Voor in ’t Holt, Achter het Hout en Kostvlies gelegen. De lintbebouwing langs de weg is na 1900 gebouwd. De weg is bijzonder fraai gesitueerd, langs de rand van de Hondsrug, de essen en het Hunzedal. De weg biedt een wijds uitzicht over het beekdal en de veenkoloniën. De waarneming van de landschaps- en hoogteverschillen is door de ligging van de weg op de glooiing uitstekend. De bebouwing aan de westzijde van de weg ligt vaak hoger. De lintbebouwing heeft een kleinschalig karakter; vrijstaande burgerwoningen en kleine veldontginningsboerderijen. Daarnaast komen er ook enkele grotere boerderijen voor. Het bebouwingsbeeld is gevarieerd. De onderlinge afstand tussen de gebouwen varieert. De gevels zijn van metselwerk in rode of bruine kleur. De daken zijn afgedekt met zwarte of rode pannen. Combinaties met riet komen voor. De detaillering is eenvoudig en doelmatig. Andere gebieden die onderdeel zijn van dit welstandsgebied zijn de Annerstreek tussen Annen en Schuilingsoord en Bartelaar/ De Hullen in Annen. Vanaf de Hondsrug werd de druk op het Hunzedal in de loop der tijd steeds groter. Op een zandkop aan de rand van het Hunzedal ontstond de buurtschap Veenhof. De bebouwing staat in een cluster op het hoger gelegen terrein en valt vooral op door het vele groen en de boombeplanting die in de openheid van het Hunzedal in het oog springt. Eexterzandvoort en Gieterzandvoort zijn naast Veenhof eveneens te kenmerken als plekken met een bijzondere uitstraling. Ook hier gaat het om een verhoogde ligging op een zandkop. De buurtschappen kennen naast de bebouwing die vergelijkbaar is met de randveendorpen ook bebouwing die van oudere datum is. Het bebouwingsbeeld is gevarieerd. De onderlinge afstand tussen de gebouwen varieert eveneens. De gevels zijn van metselwerk in rode of bruine kleur. De daken zijn afgedekt met zwarte of rode pannen, waarbij riet soms ook voorkomt. De detaillering is eenvoudig en doelmatig. Waardering, beleid en ontwikkeling Er is veel waardering voor de bijzondere landschappelijke kenmerken van de oostflank van de Hondsrug, waarin de bebouwing een bescheiden positie inneemt. Het beleid is gericht op het goed situeren van de bebouwing voor het behoud van de zichtbaarheid van de markante hoogteverschillen. Voor vervanging en uitbreiding is een goede landschappelijke inpassing het uitgangspunt. Een goede situering en materiaal- en kleurkeuze is daarbij essentieel. Welstandscriteria bebouwing tussen Hondsrug en Hunze Ligging De bebouwing is op de weg georiënteerd. De bestaande situering is uitgangspunt bij vervanging. Een bestaande nokrichting haaks op de weg of evenwijdig aan de zijdelingse perceelsgrens bij vervanging en uitbreiding handhaven. Bijgebouwen zijn vrijstaand en ruim achter de voorgevel van het hoofdgebouw gesitueerd en vormen met het hoofdgebouw een cluster. Ruimte tussen de percelen/erven respecteren. Massa en vorm De bebouwing is individueel herkenbaar. De hoofdgebouwen hebben een enkelvoudige bouwmassa. Toegevoegde elementen zoals erkers, dakkapellen en aangebouwde bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm. De kap is beelddominant voor het hoofdgebouw en bijgebouwen. Hoofd- en bijgebouwen vormen een samenhangend geheel. Toepassen van een piramidekap is niet toegestaan. Gevelopbouw Gesloten gevelbeeld, dat wil zeggen geen opvallende grote gevelopeningen in het zicht van de openbare ruimte. Verticaal gelede gevelopeningen. Voor niet naar de weg gekeerde achtergevels gelden de algemene criteria (zie deel B hfdst 4). Detaillering Een ingetogen, eenvoudige detaillering. Bij uitbreiding sluit de detaillering aan bij het bestaande. Materiaal- en kleurgebruik (voor boerderijen zie hoofdstuk 5.1 deel A) Gevels van hoofdgebouwen van baksteen in een rode of bruine-antraciet kleur. Combinatie met donkere houten geveldelen is mogelijk mits qua beeld vanaf de straat ondergeschikt aan het metselwerk. Grote vlakken op het hoofdgebouw en bijgebouwen uitvoeren in een gedekte kleurstelling. Dakbedekking van pannen in rode of donkere kleur of riet, of combinatie hiervan. Bij de in het bestemmingsplan als “karakteristiek” aangeduide gebouwen en bij monumenten, zijn de pannen niet glimmend, tenzij dit historisch is te verantwoorden. Voor overige gebouwen zijn geglazuurde of geëngobeerde pannen toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Maatvoering stenen en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering, bij voorkeur stenen waalformaat. Bijgebouwen ondergeschikt in materiaal en kleurgebruik. Op agrarisch bouwpercelen kunnen zowel de agrarische gebouwen als de dienstwoning vanuit de agrarische bestemming worden gezien als hoofdgebouw. Op deze percelen moet deze regel daarom als volgt worden vertaald: ‘Een gebouw op een agrarisch bouwperceel, waarin geen dienstwoning is ondergebracht, is ondergeschikt qua materiaal en kleurgebruik. Hier zijn andere materialen dan metselwerk, pannen (of riet) toegestaan, mits ondergeschikt qua kleur en glansgraad. Dienstwoningen worden behandeld als hoofdgebouw. Als de dienstwoning deel uitmaakt van een boerderij mogen alleen op het dak van het bedrijfsgedeelte andere materialen worden toegepast dan pannen (of riet), mits ondergeschikt qua kleur en glansgraad. Bij aanpassingen en verbouwingen aan monumenten en de als karakteristiek bestemde gebouwen geen plaatmateriaal en geen kunststof en aluminium kozijnen toepassen. Algemeen Voor Rijks- en provinciale monumenten en de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en gebouwen in beschermde dorpsgezichten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie en nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 5 Randveendorp Gebiedsbeschrijving Wegens gebrek aan bouwland begon men met veenontginningen aan de rand van het veengebied; de zogenaamde randveenontginningen. Het ging hierbij om individuele en in het algemeen weinig systematische vervening. Oud-Annerveen, Spijkerboor, Nieuw-Annerveen, Eexterveen, De Hilte, Gieterveen, Bonnerveen, Torenveen, Gasselterboerveen en (een deel van) Gasselternijveen zijn dorpen ontstaan als gevolg van de randveenontginningen. De boerderijen werden op natuurlijke hoogten gevestigd. Hierdoor is in vergelijking met de latere grootschalige verveningen, een onregelmatig verkavelingspatroon ontstaan. Kenmerkend is het opstrekkend karakter van de kavels. Het lint heeft een uitgesproken landelijk karakter, de afstand van de gebouwen tot de weg kent een zekere mate van variatie. De onderlinge afstand tussen de gebouwen varieert sterk. In de bebouwde kommen van Gasselternijveen en Oud-Annerveen, bij de aansluitingen op de diepen, is sprake van verdichting van het lint. De bebouwing is vrijstaand en is op de weg georiënteerd met over het algemeen een nokrichting haaks op de weg (of parallel aan de zijdelingse perceelgrens). Bij nieuwere invullingen uit de jaren zestig is de kap soms parallel met de weg. De gebouwen hebben een enkelvoudige bouwmassa. Het merendeel van de bebouwing bestaat uit een laag met kap. De kap is beelddominant. De gevels zijn gemetseld met een rode of bruine steen, de kap is vaak afgedekt met een donkere pan. De bijgebouwen zijn overwegend vrijstaand en achter het hoofdgebouw geplaatst. De bebouwing kent een ingetogen detaillering met een verticale geleding in de voorgevel. Waardering, beleid en ontwikkeling Het beleid is gericht op het behoud en herstel van de ruimtelijke en functionele structuur van de hoger gelegen wegdorpen van de randveenontginningen met vergezichten naar het landschap. Er is waardering voor het landelijke karakter van het lint en het herkenbare beeld door het steeds terugkerende boerderijtype. Welstandscriteria randveendorp Ligging Oriëntatie van de woningen en voorhuizen op de weg. Een bestaande nokrichting haaks op de weg of evenwijdig aan de zijdelingse perceelgrens bij vervanging en uitbreiding handhaven. Bijgebouwen nemen een bescheiden positie in en zijn achter het hoofdgebouw gesitueerd en vormen met het hoofdgebouw een cluster. Ruimte tussen de percelen/erven respecteren. Massa en vorm De gebouwen zijn individueel herkenbaar Hoofd- en bijgebouwen vormen een samenhangend geheel De kap is beelddominant Toepassen van een piramidekap is niet toegestaan De hoofdgebouwen hebben een enkelvoudige bouwmassa. Toegevoegde elementen zoals erkers, dakkapellen en aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm. Gevelopbouw Gesloten gevelbeeld, dat wil zeggen geen opvallende grote gevelopeningen in het zicht van de openbare ruimte. Verticaal gelede gevelopeningen. Voor niet naar de weg gekeerde achtergevels gelden de algemene criteria (zie deel B hfdst 4). Detaillering Eenvoudige, ingetogen detaillering. Materiaal- en kleurgebruik (voor boerderijen zie hoofdstuk 5.1 deel A ) Voorde hoofdgebouwen gemetselde rode of bruine gevels. Combinatie met donkere houten geveldelen is mogelijk mits qua beeld vanaf de straat ondergeschikt aan het metselwerk. Grote vlakken op het hoofdgebouw en bijgebouwen uitvoeren in een gedekte kleurstelling. De daken zijn uitgevoerd in een donkere of rode pan. Bij de in het bestemmingsplan als “karakteristiek” aangeduide gebouwen en bij monumenten, zijn de pannen niet glimmend, tenzij dit historisch is te verantwoorden. Voor overige gebouwen zijn geglazuurde of geëngobeerde pannen toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Maatvoering stenen en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering, bij voorkeur stenen waalformaat. Bij aanpassingen en verbouwingen aan monumenten en de als karakteristiek bestemde gebouwen geen plaatmateriaal en geen kunststof en aluminium kozijnen toepassen. Algemeen Voor Rijks- en provinciale monumenten en de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en gebouwen in beschermde dorpsgezichten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie en nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 6 Veenkoloniaal dorp Gebiedsbeschrijving De dorpen Annerveenschekanaal, Eexterveenschekanaal, Bareveld, Nieuwediep, Gasselternijveen, Gasselternijveenschemond en de bebouwing van Eerste Dwarsdiep, de Paterslaan en het Vrijdomstreekje kennen een veenkoloniale geschiedenis. De dorpen en streken zijn ontstaan langs de kanalen die zijn gegraven voor de grootschalige ontginning van het Drentse veengebied. Kenmerkend voor de ruimtelijke structuur zijn de diepen en monden, waarlangs zich de lintbebouwing heeft ontwikkeld. Kenmerkend is de opbouw die bestaat uit een tweedeling. Aan de ene zijde van het diep ligt de kleinschalige dorpsbebouwing, aan de overzijde, de landzijde, liggen op onderlinge regelmatige afstand de boerderijen. Ondanks de demping van veel van de diepen is deze heldere ruimtelijke opzet met dit asymmetrische profiel beeldbepalend. Verdichtingen in de lintbebouwing zijn te vinden bij de dwarsverbindingen tussen de lintdorpen. In de loop der tijd zijn de linten aan de dorpszijde verdicht en zijn veel van de oude woningen vervangen. Des te ouder de woonbebouwing is, des te dichter staan de huizen op de weg. De recentere bebouwing is verder teruggeplaatst. In Annerveenschekanaal zijn aan de dorpszijde woningwetwoningen in clusters aan een groene ruimte geplaatst. Aan de landzijde is weinig nieuwe bebouwing toegevoegd, hier en daar zijn moderne schuren of een tweede bedrijfswoning bij de boerderijen geplaatst. Het zicht op het open land is nog ruimschoots aanwezig. Functieveranderingen zijn tot nu toe vrij soepel in het lint opgenomen. De boerderijen en de huizen staan over het algemeen met de nok loodrecht op het diep en de weg, een uitzondering hierop zijn de tweede bedrijfswoningen aan de landzijde. De hoofdgebouwen van de woonhuizen hebben een enkelvoudige bouwmassa. Het merendeel van de bebouwing bestaat uit één laag met een kap, opgetrokken uit rode of bruine baksteen en afgedekt met meest donkere pannen. De bijgebouwen zijn veelal vrijstaand en achter op het erf geplaatst. De boerderijen zijn door hun monumentale omvang en vaak fraaie vormgeving belangrijke beelddragers. Waardering, beleid en ontwikkeling Er bestaat veel waardering voor de herkenbare bouwstijlen van zowel boerderijen als woonhuizen en de nog duidelijk aanwezige relatie van de bebouwing met de ontstaansgeschiedenis van het gebied. Het beleid is gericht op behoud van de ruimtelijke en functionele karakteristiek van de dorpen en de vergezichten naar het landschap. In een aantal bestemmingsplannen hebben gebouwen een aanduiding “karakteristiek gebouw”. Dit betekent dat de uitwendige hoofdvorm van het gebouw in principe dient te worden gehandhaafd. Welstandscriteria veenkoloniaal dorp Ligging De huidige voorgevelrooilijnen zijn uitgangspunt bij vervanging of uitbreiding. Woon- en voorhuizen zijn op de weg georiënteerd. Nokrichting haaks op de weg. Een bestaande nokrichting bij vervanging en uitbreiding handhaven. Bijgebouwen ondergeschikt in positie en geclusterd met het hoofdgebouw. Ruimte tussen de percelen/erven respecteren. Massa en vorm De bebouwing is individueel herkenbaar. De bebouwing heeft, met uitzondering van de agrarische hoofdgebouwen, een enkelvoudige bouwmassa al of niet met krimp. Toegevoegde elementen zoals erkers, dakkapellen en aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm. Geen dakkapellen boven elkaar. Hoofd- en bijgebouwen vormen een samenhangend geheel. De kap is beelddominant voor hoofd- en bijgebouw. Toepassen van een piramidekap is niet toegestaan. Gevelopbouw Gesloten gevelbeeld, dat wil zeggen geen opvallende grote gevelopeningen in het zicht van de openbare ruimte. Verticaal gelede gevelopeningen. Kleinschalige vlakverdeling winkelgevels. Voor niet naar de weg gekeerde achtergevels gelden de algemene criteria. Bij verbouw en/of uitbreiding: handhaven herkenbare bouwstijlen. Detaillering Eenvoudige detaillering. Aandacht voor de rijke detaillering op de voorhuizen van de boerderijen die vaak passend in één bouwstijl zijn uitgevoerd. Bij uitbreiding sluit de detaillering aan op het bestaande werk. Materiaal- en kleurgebruik (voor boerderijen zie hoofdstuk 5,1 deel A ) In de bebouwingslinten aan de dorpszijde en de woningen aan de landzijde een rode of bruine gevelsteen en een donkere of rode pan. Voor overige gebouwen zijn geglazuurde of geëngobeerde pannen toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Bij aanpassingen en verbouwingen materiaal- en kleurkeuze passend bij de leeftijd en de bouwstijl van de gebouwen. Bij aanpassingen en verbouwingen aan monumenten en de als karakteristiek bestemde gebouwen geen plaatmateriaal en geen kunststof en aluminium kozijnen toepassen. Maatvoering stenen en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering, bij voorkeur stenen in waalformaat. Algemeen Voor Rijks- en provinciale monumenten en de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en gebouwen in beschermde dorpsgezichten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie en nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en nieuwe landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 7Niet-planmatige uitbreiding Gebiedsbeschrijving De eerste uitbreiding van de dorpen vond, aansluitend op de ruimtelijke structuur van het dorp, plaats langs de uitvalswegen bij esdorpen en langs de kanalen in het geval van de veenkoloniale dorpen. Door de ligging is deze bebouwing vaak beeldbepalend voor een dorp. Het zijn voornamelijk woonhuizen gebouwd in de jaren dertig en vijftig, maar ook kleine boerderijen van begin 1900. De bebouwing is overwegend vrijstaand en individueel herkenbaar. Ze is in een vaste voorgevelrooilijn gebouwd. De gebouwen hebben een enkelvoudige bouwmassa, bestaande uit één laag met kap. De hoofdrichting is overwegend evenwijdig aan de zijdelingse perceelgrens. De gevels zijn gemetseld met een rode of donkere steen. De dakbedekking bestaat voornamelijk uit donkere pannen of riet. Rode pannen komen ook voor. In de veenkoloniale dorpen komen ook rode pannen voor. Toegevoegde elementen zoals erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm. Met deze toegevoegde elementen worden vaak de accenten in de gevelopbouw gemaakt. De detaillering is overwegend eenvoudig, echter een aantal woonhuizen kent een meer verfijnde vormgeving met veel aandacht voor detail. De bijgebouwen zijn ondergeschikt en meestal vrijstaand en opzij of achter het hoofdgebouw gesitueerd. Bijzondere bebouwing, zoals een school of een grote villa zijn soms royaal gesitueerd en hebben een afwijkende rooilijn. Ze onderscheiden zich tevens met een meer uitgesproken vormgeving. Waardering, beleid en ontwikkeling Er is waardering voor het gevarieerde en dorpse karakter van de bebouwing. Aan de dorpsranden zijn ter plaatse van open plekken nog vergezichten naar het landschap aanwezig. Het beleid is gericht op respect voor de ruimtelijk en functioneel waardevolle karakteristiek. Welstandscriteria niet planmatige uitbreiding Ligging Het dominerende straatwand profiel wordt bij uitbreiding en vervanging gerespecteerd. De hoofdgebouwen zijn op de weg georiënteerd. Een bestaande nokrichting haaks op de weg of evenwijdig aan de zijdelingse perceelgrens bij vervanging en uitbreiding handhaven. Bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Voor de monumenten en de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en gebouwen in beschermde dorpsgezichten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie en nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Massa en vorm De gebouwen zijn individueel herkenbaar. De hoofdgebouwen hebben, met uitzondering van de bijzondere terug gerooide gebouwen, een enkelvoudige bouwmassa. Toegevoegde elementen zoals erkers, dakkapellen en aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm. Samengestelde bouwmassa is alleen toegestaan als de ritmiek van het straatbeeld hierdoor niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan het geval zijn als er sprake is van een meer dan gemiddelde kavelbreedte. De kap van het hoofdgebouw is beelddominant. Toepassen piramidekap is niet toegestaan. Bij de winkelbebouwing is er een samenhang tussen de begane grond en de verdieping. Gevelopbouw Gesloten gevelbeeld, dat wil zeggen geen opvallende grote gevelopeningen in het zicht van de openbare ruimte. Verticaal gelede gevelopeningen. Kleinschalige vlakverdeling winkelgevels. Voor niet naar de weg gekeerde achtergevels gelden de algemene criteria. Detaillering De detaillering is passend bij de bouwstijl van het gebouw. Gevelaccenten zijn een onderdeel van het geheel. Bij winkelgebouwen kunnen de gevelaccenten beeldbepalend van karakter zijn. Materiaal- en kleurgebruik Voor de hoofdgebouwen zijn de gevels uitgevoerd in een rood- of bruinkleurige steen. De daken zijn uitgevoerd met donkere of rode pannen. Grote vlakken op het hoofdgebouw en bijgebouwen uitvoeren in een gedekte kleurstelling. Riet als dakbedekking is mogelijk indien dit in de directe omgeving passend is. Maatvoering stenen en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering, bij voorkeur stenen waalformaat / amstelformaat. Bij de in het bestemmingsplan als “karakteristiek” aangeduide gebouwen en bij monumenten, zijn de pannen niet glimmend, tenzij dit historisch is te verantwoorden. Voor overige gebouwenen zijn geglazuurde of geëngobeerde pannen toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Bijgebouwen ondergeschikt in materiaal- en kleurgebruik. Algemeen Voor Rijks- en provinciale monumenten en de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en gebouwen in beschermde dorpsgezichten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie en nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 8Planmatig ontworpen uitbreiding Gebiedsbeschrijving In de meeste dorpen kan na verloop van tijd de vraag naar woningen niet meer worden gerealiseerd aan de oude ruimtelijke structuur. Er worden nieuwe wijken en buurten ontworpen. De bebouwing in deze plannen onderscheidt zich van de voorgaande periodes, omdat het verband tussen de ruimtelijke structuur, de landbouwwijze en het landschap niet meer aanwezig is. De wijken onderscheiden zich vooral door de periode waarin ze zijn gebouwd en binnen de buurten hebben de woningen onderling veel overeenkomsten. De jaren vijftig en zestig uitbreidingswijken kenmerken zich door een eenvoudige en ruime opzet. Het betreft veelal rijtjeswoningen of twee- onder-een-kapwoningen. De woningen hebben een openbare zijde aan de straat, met de voorgevel en voordeur en een private achterzijde met de achtertuin. De huizen kennen een eenvoudig, sobere vormgeving. De nokrichting is overwegend evenwijdig aan de straat. Voorbeelden van dit type woonwijk zijn onder andere te vinden in Rolde en Gieten. In de woonbuurten uit de jaren zeventig, begin jaren tachtig zijn de woningen aan een soms grillig verlopend stratenpatroon gelegen (Annen) of aan hofjes gegroepeerd; het onderscheid tussen een openbare voorzijde en een informele achterzijde is in bepaalde gevallen niet meer herkenbaar aanwezig. In de meeste dorpen blijven de woningen echter met een voorzijde op de straat georiënteerd. De (in)formele kenmerken uit deze periode zijn overal goed herkenbaar door de korte rechtstanden van de wegen en een verspringende rooilijn. In de wijken uit deze periode is gevarieerder gebouwd; huur- en koopwoningen, vrijstaande woningen, twee-onder- een-kapwoningen en rijtjeswoningen. De meest recente woonwijken, die vanaf het midden van de jaren negentig zijn gebouwd, kennen een meer zakelijke en formelere opzet. In deze wijken zijn veel kavels voor de particuliere opdrachtgevers. Een goed voorbeeld hiervan is Annen-Noordwest. De woningen zijn het meest gebouwd van steenachtige materialen. De kleurstelling verandert van rode, bruine en gele gevels in de jaren voor 1990 tot een meer lichtere kleurstelling in de jaren negentig. Na 2000 is er weer een trend naar donkere gevels te zien. Waardering, beleid en ontwikkeling Het beleid is gericht op het behoud van het bestaande woonmilieu door het respecteren van de ruime opzet van de wijken (veelal gebouwd voor 1985), de schaal en karakteristieken per project. Het incidenteel wijzigen van woningen is over het algemeen geen probleem. In gebieden waar projectmatig ontstane bebouwing voorkomt is planmatige wijziging het uitgangspunt. Te verwachten ontwikkelingen zijn met name het uitbreiden en verbouwen van de bebouwing. Welstandscriteria planmatig ontworpen uitbreiding Ligging Bestaande rooilijnen respecteren. Oriëntatie op de straat of hof. Massa en vorm Bestaande geledingen van hoofd- en bijgebouw respecteren. Wijziging bij rijtjeswoning of dubbele woning dient te passen in het bouwblok, dat als zodanig herkenbaar blijft. Per rij of bouwblok hanteren van eenzelfde type dakopbouw of dakkapel. Bijgebouwen grenzend aan de openbare weg of openbaar groen in de stijl en het materiaal van het hoofdgebouw. Bijgebouwen zijn ondergeschikt in massa ten opzichte van het hoofdgebouw. Gevelopbouw Gesloten gevelbeeld. Gevelopeningen passend in ritme per rij of project. Voor niet naar de weg gekeerde achtergevels gelden de algemene criteria (zie Deel B Hfdst 4). Detaillering Detaillering sluit aan bij het beeld per bouwperiode. Materiaal en kleurgebruik Materiaal en kleurgebruik afstemmen op het bouwblok. Materiaalgebruik afstemmen op het ontwerp. Afwijkende materialen zijn mogelijk, indien deze passen bij het ontwerp van het gebouw en in de directe omgeving, van goede kwaliteit zijn en niet glanzend en/of in contrasterende kleurstellingen met de omgeving zijn. Maatvoering stenen en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering. Geglazuurde of geëngobeerde pannen zijn toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Bij toepassing metselwerk, stenen bij voorkeur waalformaat/ amstelformaat. Algemeen Voor Rijks- en provinciale monumenten en de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en gebouwen in beschermde dorpsgezichten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie en nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 9Bijzonder woongebied Gebiedsbeschrijving Dit welstandsgebied bestaat uit de planmatig opgezette woonwijken die afwijken van de overwegende opzet of bestaan uit bijzondere woningtypen. In de gemeente Aa en Hunze gaat het om een deel van de kern Schipborg, het noordwestelijk deel van het woongebied Noordes in het dorp Gieten en de buurt bij de entree van Annen vanuit Anloo. Deze buurten kennen een zeer ruime opzet met veel ruimte voor groen en bosplantsoen. De woningen zijn van het type bungalow of sluiten hierbij aan. De belangrijkste waarde wordt gevormd door het samenspel tussen de ruime kavels en de zeer groene en ruime uitstraling van de beide gebieden en de bebouwing. De woningen, die alle vrijstaand zijn, kennen een relatief groot rechthoekig of samengesteld grondvlak. De richting van de bebouwing is wisselend evenals de afstand tot de weg. De bijgebouwen zijn over het algemeen gekoppeld aan het hoofdgebouw. De gevels hebben een relatief lichte kleurstelling terwijl de pannendaken donker van kleur zijn. De stijl van de bebouwing is te kenmerken als voorbeeld van een voor de jaren zeventig typerende bouwstijl, de gevelcomposities zijn afwisselend. Waardering, beleid en ontwikkeling Er bestaat grote waardering voor het karakter van de bebouwing en de ruime opzet van de wijken. Het beleid gaat uit het behouden van de karakteristieken van deze gebieden zonder te beperkend te zijn in de mogelijke veranderingen aan de bebouwing. Welstandscriteria bijzonder woongebied Ligging Wisselende nok- of bouwrichtingen. Behouden ruime karakter percelen. Bijgebouwen aan of in directe nabijheid van het hoofdgebouw. Massa en vorm Rechthoekig of samengesteld grondvlak. Individuele woningen herkenbaar als onderdeel van het geheel. Voor toegevoegde onderdelen gelden de ‘algemene criteria’ (zie deel B hfdst 4); toegevoegde onderdelen altijd ondergeschikt aan het vlak waaraan deze worden toegevoegd. Bijgebouwen ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Dakkapellen voldoende ondergeschikt aan het dak van het hoofdgebouw en niet op een tweede verdieping in het dakvlak of hoger geplaatst. Gevelopbouw Gevarieerde gevelarchitectuur. Detaillering Functioneel met een kleinschalig karakter. Materiaal- en kleurgebruik Gemetselde gevels. Kleurstelling gevels afgestemd op de aanwezige bebouwing. Platte afdekking of pannendaken in donkere kleurstelling. Geglazuurde of geëngobeerde pannen zijn toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Materiaalgebruik bijgebouwen aangepast aan hoofdgebouw. Maatvoering stenen en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en nieuwe landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 10Centrumgebied Gebiedsbeschrijving In de gemeente Aa en Hunze worden delen van de kern van Rolde, het winkelcentrum D’Anloop in Annen en delen van de kern van Gieten als centrumgebied aangeduid. Dit zijn de delen van de kern waar het karakteristieke esdorp-karakter meer naar de achtergrond is geraakt door de bouw van winkels, centrumfuncties en appartementen. In de overige kernen is er sprake van de opname van centrumfuncties binnen de historische structuren waardoor er niet sprake is van een wezenlijk ander gebied. In Rolde zijn de centrumfuncties gelegen in het historische kerngebied van het dorp. De schaal van de bebouwing en de opbouw van de gevels is duidelijk anders dan de authentieke bebouwing. In Annen is er sprake van een relatief kleine cluster dat rond een parkeerplein is gesitueerd. De bebouwing is laag en is duidelijk herkenbaar als winkelbebouwing. In Gieten zijn grote delen van de kern aan te wijzen als centrumgebied: de appartementenbebouwing aan de Brink, de Schoolstraat (waar de winkelbebouwing een redelijk dorpse maat heeft), de Stationsstraat waar sprake is van schaalverschil ten opzichte van de omliggende woonbebouwing. Waardering, beleid en ontwikkeling Er is waardering voor de centrumfuncties die passend binnen het karakter van de kernen zijn ontwikkeld. Er bestaat minder waardering voor grootschalige appartementengebouwen en winkelbebouwing die het karakter van de dorpen hebben verstoord. Het beleid voor de centrumgebieden is, binnen bepaalde kaders, gericht op het ruimte geven aan ontwikkelingen. Plannen die niet passen binnen het bestemmingsplan dienen met respect voor de schaal en het beeld van de esdorpen te worden ingepast op basis van een stedenbouwkundig plan, dan wel ruimtelijke onderbouwing met aandacht voor de beeldkwaliteit. Welstandscriteria Centrumgebied-kleine uitbreidingen Ligging Aansluiting bij bestaande situering en nokrichting. Bestaande rooilijnen respecteren. Bij (vervangende) nieuwbouw ruimtelijke structuur behouden. Bij hoekoplossingen de hiërarchie van de wegen respecteren. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen ondergeschikt in positie. Voor de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en de monumenten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie. En nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Massa en vorm Vorm aansluitend aan geledingen bestaande gebouwen. Geen voorkeur voor een verticale of horizontale geleding. Geen plat afgedekte massa aan de naar de openbare weg gekeerde zijde. Samengestelde massa toepassen indien de bebouwing groter is dan het bestaande ritme (korrelmaat) in breedte van gevels van de bebouwing in de directe omgeving. Individuele uitstraling per gebouw. Gevelopbouw Gevelarchitectuur is afwisselend. Gesloten gevels niet toegestaan; Grote vlakken opgebouwd uit kleinere elementen. Voor winkels zijn rolluiken toegestaan voor zover zij voldoen aan de criteria, die gelden voor het vergunningsvrije bouwen ( zie artikel 2 lid 8 bijlage II Besluit omgevingsrecht). Detaillering Functionele doch kleinschalige details toepassen. Reclame is onderdeel van de gevelarchitectuur (zie hoofdstuk 5.4 deel A ). Materiaal- en kleurgebruik Gemetselde gevels toepassen; open winkelpuien toegestaan. Aansluiting zoeken bij bestaande gebouwen. Grote felgekleurde vlakken niet toegestaan. Bij kappen de toepassing van een donkere dakbedekking. Bij de in het bestemmingsplan als monument en/of “karakteristiek” aangeduide gebouwen, zijn de pannen niet glimmend, tenzij dit historisch is te verantwoorden. Voor overige gebouwen zijn mat geglazuurde of geëngobeerde pannen toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Maatvoering stenen en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering, bij voorkeur stenen waalformaat / amstelformaat. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en nieuwe landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Welstandscriteria Centrumgebied-grote plannen Ligging Respect voor bestaande situering en nokrichting. Bestaande rooilijnen respecteren. Bestaande afstand tot naastgelegen bebouwing met respect behandelen. Bij hoekoplossingen de hiërarchie van de wegen respecteren. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen die de ruimtelijk structuur verstoren, dienen te worden vermeden. Massa en vorm Bouwhoogte verschilt maximaal een halve bouwlaag met aangrenzende bebouwing. Vorm aansluitend aan geledingen bestaande gebouwen. Geen voorkeur voor een verticale of horizontale geleding. Geen plat afgedekte massa aan de naar de openbare weg gekeerde zijde. Samengestelde massa toepassen indien de bebouwing groter is dan de bestaande korrelmaat van de bebouwing. Individuele uitstraling per gebouw of deel van gebouw bij grotere gevellengten. Gevelopbouw Gevelarchitectuur is afwisselend. Gesloten gevels niet toegestaan. Grote vlakken opgebouwd uit kleinere elementen. Korrelmaat van de omliggende omgeving dient terug te komen in de gevels. Voor winkels zijn rolluiken toegestaan voor zover zij voldoen aan de criteria, die gelden voor het vergunningsvrije bouwen. Voor woningen zijn rolluiken toegestaan. Detaillering Kleinschalige details toepassen. Reclame is onderdeel van de gevelarchitectuur (zie hoofdstuk 5.4 deel A). Materiaal- en kleurgebruik Gemetselde gevels toepassen; open winkelpuien toegestaan. Bij uitzonderlijke ontwerpen materialen afstemmen op de architectuur. Aansluiting zoeken bij materiaal en kleurstelling van de directe omgeving. Grote felgekleurde vlakken niet toegestaan. Bij kappen de toepassing van een donkere dakbedekking in matte uitvoering. Bij de in het bestemmingsplan als “karakteristiek” aangeduide gebouwen en bij monumenten, zijn de pannen niet glimmend, tenzij dit historisch is te verantwoorden. Voor overige gebouwen zijn mat geglazuurde of geëngobeerde pannen toegestaan, mits de glansgraad niet hoger is dan de referentiepan die in het klantcontactcentrum van de gemeente aanwezig is. Maatvoering stenen en dakpannen in relatie tot gevelvlak respectievelijk dakvlak en detaillering, bij voorkeur stenen waalformaat / amstelformaat. Algemeen Voor Rijks- en provinciale monumenten en de in het bestemmingsplan opgenomen karakteristieke gebouwen en gebouwen in beschermde dorpsgezichten is de huidige plaatsing, omvang, oriëntatie en nokrichting maatgevend bij vervanging en uitbreiding. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 11 Bijzondere bebouwing In meerdere gebieden komen gebouwen of complexen van gebouwen voor die zich vanwege functie en schaal in sterke mate onderscheiden en niet kunnen voldoen aan de gebiedsgerichte criteria van het gebied waar zij onderdeel van uitmaken. Tot dit gebied behoren de volgende gebouwen: Verzorgingstehuizen Zorgcentra Woon-zorg complexen Sporthallen Zwembaden Schoolgebouwen Raadhuizen/gemeentehuizen Kantorencomplexen Hotels, dorpshuizen, brandweerposten, bibliotheken, gebedshuizen Vergelijkbare gebouwen Criteria voor ondergeschikte uitbreidingen of gevelwijzigingen bij bijzondere bebouwing met beeldkwaliteitsplannen Ligging Aansluiting bij bestaande situering en nokrichting. Bestaande rooilijnen respecteren. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen ondergeschikt in positie. Massa en vorm Vorm aansluitend aan geledingen bestaande gebouwen. Geen plat afgedekte massa aan de naar de openbare weg gekeerde zijde, uitgezonderd kleine erkers. Gevelopbouw Gevelarchitectuur sluit aan op bestaande gevelarchitectuur. Detaillering Detaillering overeenkomstig of passend bij bestaande detaillering. Materiaal- en kleurgebruik Aansluiting zoeken bij bestaande gebouwen. Grote uitbreidingen vervangende nieuwbouw Voor grote uitbreidingen of vervangende nieuwbouw zal een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld, afgestemd op de specifieke locatie. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 12Groengebieden en sportparken Gebiedsbeschrijving In en rondom een aantal dorpen zijn sportterreinen, ijsbanen, begraafplaatsen en groengebiedjes aangelegd. Deze gebieden vervullen een rol als open plek in bebouwd gebied of zijn toegankelijk en hebben daardoor een functie als wandel- en uitloopgebied voor de kernen. Eventuele bebouwing heeft in deze groengebieden een directe relatie met de functie van het groengebied; een sportkantine, een uitvaartgebouwtje, enzovoort. Over het algemeen gaat het om kleine objecten die opgaan in een groene setting en ondergeschikt zijn aan het groen. De sporthallen in Annen en Gieten zijn van een andere orde en worden behandeld onder de objectcriteria voor bijzondere gebouwen. Waardering, beleid en ontwikkeling De plaats die de groengebieden en sportparken innemen in en bij de kernen wordt hoog gewaardeerd. Het beleid is gericht op het handhaven van de bestaande kwaliteiten; het groene, onbebouwde karakter van de betreffende gebieden is beeldbepalend. De bebouwing heeft een ondergeschikte rol. Welstandscriteria groengebieden en sportparken Ligging Plaatsing ondergeschikt aan het groen. Plaatsing van het gebouw is gerelateerd aan de functie van het terrein. Massa en vorm Eenvoudige hoofdvorm. Detaillering Kleinschalige details. Eenvoudige gevelopbouw. Reclame voldoet aan de criteria zoals genoemd in hoofdstuk 5.7 Materiaal- en kleurgebruik Natuurlijke sobere materialen. Materiaalgebruik in relatie tot functie van het gebouw. Terughoudend gebruik van kleuren. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 13Bedrijventerrein Gebiedsbeschrijving De gemeente Aa en Hunze kent twee bedrijventerreinen. Deze zijn te vinden in Gieten en Gasselternijveen. Daarnaast zijn er enkele grotere particuliere bedrijven die eveneens passen binnen dit welstandsgebied. De bebouwing staat op ruime percelen, op enige afstand van de weg. De bebouwing bestaat uit bedrijfshallen en bijbehorende kantoren. De hoofdvorm is eenvoudig, de daken zijn plat of met een flauwe kap. Het volume van de bebouwing is relatief groot en heeft een functionalistische uitstraling. De hallen zijn vaak bekleed met plaatmateriaal, de detaillering is doelmatig. Op beide terreinen geldt dat er een meer representatief deel is dat zichtbaar is vanaf de weg en een meer ingesloten deel. Het deel dat gericht is op de weg zal een open gevelstructuur moeten kennen met hoogwaardige bouwmaterialen. De bebouwing aan de rand van het landschap zal qua kleur- en materiaalgebruik onopvallend moeten zijn. Waardering, beleid en ontwikkeling De waardering voor de bedrijventerreinen is neutraal. Het beleid zal gericht zijn op een bepaalde mate van vrijheid voor de ondernemers. In termen van architectuur zijn aan deze bedrijventerreinen beperkte waarden toe te kennen. Bebouwing aan de rand met het landschap wordt eventueel afgeschermd met groen en de opslag op het buitenterrein door middel van de gebouwen of groen. Welstandscriteria bedrijventerrein Ligging Oriëntatie op de openbare weg. Gebouwen op een zichtlocatie hebben een representatieve open uitstraling. Voorerven schoon houden van materiaalopslag. Erfafscheidingen/verlichting conform vergunningsvrij bouwen Massa en vorm Hallen en loodsen hebben een eenvoudige hoofdvorm. Woningen en kantoorgedeelten in een ingetogen en doelmatige stijl. Gevelopbouw Representatieve gevels kennen een open gevelarchitectuur. Dichte gevels aan openbaar gebied zijn niet toegestaan. Detaillering Kleinschalige details op representatieve gevels. Functionele detaillering op overige gevels. Reclame moet voldoen aan de criteria zoals genoemd in hoofdstuk5.7.. Materiaal- en kleurgebruik Hoogwaardige materialen aan representatieve gevel. Geen grote felgekleurde of witte vlakken toegestaan. Een onopvallende kleurstelling aan de randen van het bedrijventerrein met het landschap. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en nieuwe landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 14Recreatiegebied Gebiedsbeschrijving Op het zandgebied in de gemeente zijn veel campings, recreatieterreinen en bungalowparken te vinden. Daarnaast zijn het Hunzepark in Gasselternijveen en het park Aqualande in Eexterveenschekanaal/Nieuwediep ook onderdeel van dit gebied. De terreinen die soms een grote omvang kennen, zijn onopvallend aanwezig; ze zijn meestal opgenomen in een bosachtige omgeving en afgeschermd door bos en beplanting. Nabij de toegang tot deze terreinen bevindt zich veelal een centrum- of entree- gebouw van een grotere schaal. De recreatiewoningen staan vaak in een losse setting en informeel tussen de bomen gegroepeerd. De recreatiewoningen zijn overwegend vrijstaand of twee-onder-een-kap. De onderlinge afstand van de huisjes varieert. De huisjes hebben een enkelvoudige bouwmassa bestaande uit één bouwlaag met plat of afgeschuind dak. Er is weinig plasticiteit in de bouwvolumes en de onderlinge verschillen in omvang zijn gering. Er is sprake van een traditionele bouwstijl, met metselwerk en donker hout in een sobere detaillering. Waardering, beleid en ontwikkeling Er is waardering voor de groene setting van de parken en de informele wijze waarop de recreatiewoningen hierin zijn geplaatst. Een aantal terreinen zal in de toekomst wellicht uitbreiden. Minder waardering bestaat er voor terreinen die duidelijk herkenbaar zijn en het landschapsbeeld verstoren. Het beleid is daarom gericht op een grotere vrijheid op de terreinen mits de buitenrand goed is ingeplant en het park daardoor niet storend is in het landschapsbeeld. In die gevallen waarbij het terrein niet is afgeschermd, wordt het (deels) toegerekend aan het gebied esdorpenlandschap. Voorbeelden hiervan zijn de voorstroken van de campings ‘Het Zwanemeer’ en ‘De Tien Heugten’. Welstandscriteria recreatiegebied Ligging Het bestaande groene beeld wordt gerespecteerd, met name aan de randen. Massa en vorm Herkenbare en eenduidige bouwvolumes. Gevelopbouw Vrij in uitgangspunt, mits voldoende samenhang met gebouwen in de directe omgeving. Materiaal- en kleurgebruik De kleurstelling voor de gebouwen aan de randen is gedekt; overige gebouwen dienen qua kleur te worden afgestemd op de omgeving. Waar een cluster herkenbaar is, moeten de recreatiewoningen onderling in kleur harmoniëren. Specifieke bouwwerken en andere elementen in de openbare ruimte Voor een aantal specifieke bouwwerken, zoals boerderijen en landgoederen zijn aparte toetsingscriteria opgenomen in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk zijn ook criteria opgenomen voor de toetsing van andere elementen in de openbare ruimte. Gebied 15Ontwikkelingsgebied Gebiedsbeschrijving De ontwikkelingsgebieden in de gemeente Aa en Hunze zijn nieuwe uitleggebieden, maar ook gebieden die binnen de bebouwde kom liggen en in aanmerking komen voor een andere invulling. Voor alle ontwikkelingsgebieden geldt dat of een beeldkwaliteitsparagraaf wordt opgenomen in het bestemmingsplan of dat een apart beeldkwaliteitsplan zal worden opgesteld. Deze zal in ieder geval rekening moeten houden met de omgeving en de daarvoor geldende welstandscriteria. De vaststellingsprocedure is gelijk aan die van de Nota Welstandsbeleid. Beeldkwaliteitsplannen die op dit moment geldig zijn vormen een onderdeel van deze nota en het gemeentelijk welstandsbeleid. Als er een beeldkwaliteitsplan is gaat dat boven de nota. Gebieden met een geldend beeldkwaliteitsplan: Anloo Bosweg; Annen-noord-west; Rolde, De Hoorns; Gasselternijveen Dwarsplaatsen-oost; Eexterzandvoort, landschappelijk bouwen; Gasselte de Hoefslag; Nooitgedacht/Rolde-Zuid; Ontwikkelingsplan Schoonloërstraat 63 en paardenbosje Schoonloërstraat 73; Ontwikkelingsplan Landgoed De Voskampen bij Schipborg; Gasselternijveen, Dwarsplaatsen-Zuid; Ambachtsterrein Rolde. De beeldkwaliteitsparagrafen van de bestemmingsplannen: Annen dorp; Gieten, bedrijventerrein Bloemakkers; Uitwerkingsplan Dwarsplaatsen Zuid; Gasteren Bosakkers; Annen Dorp, herontwikkeling locatie Zuidlaarderweg 24b en omgeving; Gieten De Bonne 2; Boerhoorn Rolde; Gasselte Bosweg 2) Waardering, beleid en ontwikkeling De waardering voor de karakteristieke landschappen en dorpskernen leidt tot een beleid waarbij deze waarden niet worden aangetast. Het beleid op het gebied van welstand zal daarom zijn gericht op een bepaalde kwaliteit die recht doet aan de plek waar de ontwikkeling plaatsvindt. Voor dorpsuitbreidingen zullen de waarden van de plek en de directe omgeving een rol spelen bij het opstellen van welstandseisen in een beeldkwaliteitsplan. Voor herontwikkelingsgebieden en inbreiding zal afhankelijk van het plan een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld of worden de criteria van het gebied waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt overgenomen. Gebied 16 Welstandsvrij gebied Voor die gebieden in de gemeente Aa en Hunze die door de gemeenteraad zijn aangewezen als welstandsvrij geldt, dat voor omgevingsvergunningen voor de activiteit ‘bouwen bouwwerken’ geen advies hoeft te worden uitgebracht door de welstandscommissie. Welstandsvrij betekent niet, dat het bouwwerk vergunningsvrij is. Voor het welstandsvrije bouwen geldt de excessenregeling niet. Voor reclames, waarvoor op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) wel een vergunning nodig is moet wel advies worden uitgebracht door de welstandscommissie. Hier geldt ook de excessenregeling (zie hoofdstuk 3 deel B).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel