Om in aanmerking te komen voor een individuele-/maatwerkvervoersvoorziening moet de noodzaak worden vastgesteld. Deze noodzaak zal aanwezig zijn als iemand geen gebruik van het regulier- en het aanvullend openbaarvervoer kan maken. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, zal afhankelijk zijn van de individuele situatie.
Het college houdt bij zijn beslissing rekening met de volgende voorliggende voorzieningen.
Vervoer in het kader van betaalde arbeid
Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een vervoermiddel gemaakt moeten worden voor betaalde arbeid. Dit vervoer wordt op een andere manier (via bv het UWV) geregeld. Heeft men een vervoersvoorziening nodig vanwege een beperking voor het werk, dan kan die, indien noodzakelijk, worden uitgebreid voor het vervoer van alledag. Dat valt echter niet onder de Wmo.
Vervoer in het kader van onderwijs
Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van het leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.
Vervoer in het kader van dagbesteding
Vervoer naar en van dagbesteding is opgenomen in de maatwerkvoorziening Dagbesteding.
Ziekenvervoer via de Zorgverzekeringswet (Zvw)
Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de inwoner onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan; oncologische behandelingen met chemotherapie immuuntherapie of radiotherapie moet ondergaan; zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen; of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen;, jonger dan 18 jaar is, en gebruik maakt van verzorging vanwege complexe somatische (lichamelijke) problematiek, of een lichamelijke handicap heeft; aangewezen is op geriatrische revalidatiezorg.) of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. De vergoeding van zittend ziekenvervoer is in 2019 verruimd. Hierdoor kunnen patiënten met bepaalde aandoeningen gebruik maken van vervoer (niet ambulance) van en naar consulten, onderzoek en controles, als deze samenhangen met de behandeling.
Buitenregionaal recreatief vervoer (Valysregeling)
Wanneer een inwoner een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 5 zones openbaar vervoer vanaf het woonadres van de inwoner of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 zones openbaar vervoer vanaf het woonadres van de inwoner (met andere woorden: buiten de directe woon- en leefomgeving) kan het vervoer geregeld worden met de Valysregeling. Voordat gebruik gemaakt kan worden van de Valysregeling zal de inwoner hiervoor zelf een pas moeten aanvragen. Toegang tot Valys kan bijvoorbeeld met een Wmotoekenning voor de Regiotaxi of een invalidenparkeerkaart.
Tijdens het onderzoek naar de vervoersbehoeften houdt het college rekening met de volgende aspecten:
Mobiliteit:
maximale loopafstand op goede dag;
maximale loopafstand op slechte dag;
gebruik loophulpmiddel (rollator, wandelstok, kruk, et cetera).
Uithoudingsvermogen:
maximale reisduur;
kan gedurende de reis overstappen;
invloed weersomstandigheden op functioneren;
invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren.
Organisatie en begeleiding van de reis
kan zonder begeleiding met het OV;
kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi;
kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi;
kan alleen met begeleiding met de taxi.
Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de taxi
kan met iedereen gecombineerd worden;
kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden;
kan met niemand gecombineerd worden.
Er wordt uitgegaan van een gemiddelde vervoersbehoefte van tenminste 1500 km per jaar. Aan de hand van deze gemiddelde vervoersbehoefte wordt de omvang van de vervoersvergoeding bepaald en vastgelegd in het in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2021..
Hoofdstuk 5
Artikel 5.10.2