Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 11.

Regels voor het persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Leiderdorp 2021

1.. Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wet. 2.. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wet kan het college besluiten geen persoonsgebonden budget te verstrekken voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende in een redelijke termijn voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. 3.. De hoogte van een persoonsgebonden budget: wordt vastgesteld aan de hand van een door een cliënt opgesteld plan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden, waarin in ieder geval uiteen is gezet: welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren de cliënt van het budget wil betrekken; en indien van toepassing; welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie een cliënt diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil betrekken; waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het vijfde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke een cliënt de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 4.. Het pgb is gelijk aan de kosten die de gemeente maximaal zou moeten betalen aan de door de gemeente gecontracteerde leverancier als de voorziening in natura zou worden verstrekt (de goedkoopst compenserende voorziening wordt verstrekt). Hierbij geldt als uitgangspunt de aanschafprijs van de voorziening in natura en worden eventuele kortingen van de leverancier aan de gemeente ook meegenomen bij de berekening van de pgb. Mocht een pgb worden aangevraagd voor een dusdanige voorziening, die niet in het assortiment van de gecontracteerde leverancier zit, dan wordt de hoogte van het pgb vastgesteld aan de hand van marktconforme prijzen. Eventuele meerkosten komen voor rekening van de aanvrager. 5.. De hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in het derde lid voor een cliënt ten behoeve van een dienst wordt, voor de maatwerkvoorzieningen ambulante ondersteuning en wonen met ondersteuning, vastgesteld op: 90% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een professional in dienst van een zorgaanbieder; 80% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een ter zake kundig gediplomeerde zelfstandige zonder personeel (zzp’er); het gemiddelde uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT. Te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. In de berekening van het gemiddelde uurloon worden eventuele indexaties naar rato meegenomen. Dit geldt voor ondersteuning vanuit het informele netwerk. 6.. De hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in het derde lid voor een cliënt ten behoeve van de maatwerkvoorziening Kortdurend verblijf wordt vastgesteld op basis van het door het college gecontracteerde tarief in natura waarbij wordt uitgegaan van: 90% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een professional in dienst van een zorgaanbieder; 80% van het tarief in natura wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een ter zake kundig gediplomeerde zelfstandige zonder personeel (zzp’er); 50% van het tarief in natura wanneer het niet-professionele/informele ondersteuning betreft. 7.. De hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in het derde lid voor een cliënt ten behoeve van een dienst wordt, voor de maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning, maaltijdvoorziening en kindverzorging, vastgesteld op: 90% van het tarief in natura, wanneer het professionele ondersteuning betreft die geboden wordt door een professional in dienst van een zorgaanbieder; het gemiddelde uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg). Te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. In de berekening van het gemiddelde uurloon worden eventuele indexaties naar rato meegenomen. Dit tarief geldt voor zowel ondersteuning vanuit het informele netwerk als door een zelfstandige zonder personeel (zzp’er). 8. . Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, zaken en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel