**1..** Het college stelt het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 van het Bbz 2004 opeisbaar als:
het bedrijfskapitaal niet overeenkomstig de bestemming is besteed;
er sprake is van niet verwijtbare bedrijfsbeëindiging of overdracht van het bedrijf;
er sprake is van faillissement of surseance.
**2..** Het college vordert het opeisbaar gestelde bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 van het Bbz 2004 of de achterstanden in betaling, aflossing en rente terug indien:
de termijn van uitstel van aflossing en betaling van rente als genoemd in artikel 41, tweede lid, Bbz 2004 is verlopen;
de financiële omstandigheden van de zelfstandige zodanig blijken te zijn dat deze geacht kan worden aan de verplichtingen te voldoen. In dat geval kunnen de vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen terstond worden teruggevorderd. Indien hierbij sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, is over de achterstallige rente- en aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd;
belanghebbende ook na een tweede aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet. Dit geldt ook voor bedrijfskapitaal verstrekt op grond van de artikelen 22 en 26 van het Bbz 2004 voor zover het vermogen meer bedraagt dan gesteld in artikel 3 van het Bbz 2004 en er geen bijstand “om niet” mogelijk is.
HOOFDSTUK 2:
Artikel 4
Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 gemeente Stein 2021