Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Monumentenverordening

Deze verordening verstaat onder: A monument: zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; B martiaal object: onroerende zaak die, al of niet visueel waarneembaar, een relict is van of een verwijzing is naar gebeurtenissen c.q. oorlogshandelingen op gemeentelijk grondgebied uit de periode 1940-1945; C beschermd gemeentelijk monument: onroerend monument, dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen; D gemeentelijk monumentenregister: de lijst en/of het elektronische databestandwaarin zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument, beschermd gemeentelijk martiaal object, beschermd gemeentelijk dorpsgezicht of beschermd gemeentelijk landgoed aangewezen zaken en/of gebieden; E beschermd martiaal object: onroerende zaak die overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als zodanig is aangewezen; F beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers; G kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst. H beschermd gemeentelijk dorpsgezicht of beschermd gemeentelijk landgoed: groep van onroerende zaken die van algemeen belang is wegens haar schoonheid, dan wel de geomorfologische structuur, de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang of de wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, waarin zich tenminste één of meer beschermde gemeentelijke monumenten bevinden; Ibeeldbepalend pand: pand dat in een bestemmingsplan voor een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht als zodanig is aangemerkt en dat, naast de beschermde gemeentelijke(en of rijks-)monument(en) in het als zodanig aangewezen gebied, als referentie dient voor het waardevol geachte/bedoelde beeld van de bebouwing in het dorpsgezicht; J beeldondersteunend pand: pand dat in een bestemmingplan voor een beschermd dorpsgezicht als zodanig is aangemerkt en dat als referentie dient voor bebouwing die voldoende harmonieus past bij de gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden in het dorpsgezicht; K beeldverstorend pand: pand waarvan de verschijningsvorm afbreuk doet aan het karakter van het beschermde dorpsgezicht, zoals dat wordt bepaald door de beeldbepalende en beeldondersteunende panden alsmede de aanwezige beschermde gemeentelijke monumenten; L archeologische beleidsadvieskaart: de bij raadsbesluit vastgestelde (digitale) kaart waarop verschillende verwachtingenzones voor archeologische waarden in de gemeente Renkum zijn aangegeven; M bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument. N monumentencommissie: de door het college ingestelde commissie of aangewezen instantie, in de zin van het "Reglement op de Monumentencommissie"; het reglement dat de taken, bevoegdheden, samenstelling en werkwijze regelt van de monumentencommissie, daarin begrepen de openbaarheid van vergaderingen, met als taak het collegeop verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, deze verordening en het monumentenbeleid; O integrale welstands- en monumentencommissie: de door de raad bij besluit van 18-12-2002 vastgestelde commissie overeenkomstig bijlage 9 ‘Reglement van orde van de welstandscommissie’, onder punt 1.2 c.a., behorende bij de achtste wijziging van de bouwverordening 1992 voor de gemeente Renkum; P puntenstelsel: de systematiek van puntentelling zoals die bij raadsbesluit is vastgesteld en door het college bij de selectie en beoordeling van kandidaat-objecten bij de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument dient te worden toegepast. Q bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Rechtspraak bij dit artikel