Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Verbodsbepalingen

Onderdeel van Parkeerverordening

1.. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan op een belanghebbendenplaats of parkeerapparatuurplaats. 2.. Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat doordoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd. 3.. et is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen dan die in de kennisgeving op of bij de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 4.. Het is verboden om de vergunning al dan niet tegen betaling oneigenlijk te (laten) gebruiken. 5.. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats of parkeerapparatuurplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: zonder vergunning; in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. 6.. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1 en lid 5 van dit artikel.

Rechtspraak bij dit artikel