De cliënt is conform artikel 2.1.4a van de wet een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura, of in de vorm van een pgb zolang de cliënt gebruikmaakt van de maatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.
De hoogte van de bijdrage wordt bepaald op het in artikel 2.1.4a lid 4 van de wet genoemde bedrag. De bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd conform artikel 2.1.4b lid 4 van de wet.
Het in lid 2 van dit artikel bepaalde geldt niet indien sprake is van een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang; de eigen bijdrage voor deze maatwerkvoorzieningen is afhankelijk van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.
De cliënt is geen bijdrage in de kosten verschuldigd bij:
een rolstoelvoorziening;
activerend werk verricht door hem als/ bij wijze van een integrale benadering van arbeidsmatige groepsbegeleiding en beschut werk conform de Participatiewet;
gedurende een, door het college te bepalen, instabiele periode van de cliënt;
een financiële tegemoetkoming.
De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.
De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over het kind.
Conform artikel 2.1.5. lid 3 van de wet is geen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.
Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel.
HOOFDSTUK 4:
Artikel 18.
Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2021