Naar hoofdinhoud
1.. De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel met in achtneming van de overige leden van dit artikel. 2.. Het aantal minicontainers, onderverdeeld naar de verschillende volumina zoals in de tarieventabel is aangegeven en naar rest- en gft-afval, zomede de frequentie voor restafval, dat periodiek ter lediging wordt aangeboden door een gebruiker van een perceel als bedoeld in artikel 4, wordt aangemerkt als maatstaf van de heffing van de in artikel 3 genoemde belasting. 3.. Voor de berekening van de belasting wordt uitgegaan van het basisbelastingbedrag, het aantal malen dat een minicontainer voor restafval onderverdeeld naar de verschillende volumina, ter lediging wordt aangeboden, het volume van de minicontainer voor gft-afval, zoals door de op het inzamelvoertuig aangebrachte registratie-apparatuur wordt geregistreerd. 4.. Indien tijdens enige inzamelbeurt door een calamiteit of door een technische storing de minicontainerherkenningsapparatuur of de minicontainerregistratieapparatuur op het inzamelvoertuig of de middelen waarmee de gegevens van de geledigde minicontainers worden opgeslagen niet naar behoren functioneren, wordt de lediging voor het restafval niet meegeteld voor het berekenen van de belasting als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b. 5.. Voor percelen die zijn aangewezen op het gebruik van verzamelcontainers wordt in afwijking van het in de overige leden van dit artikel gestelde, een vast bedrag in rekening gebracht dat is vermeld in Hoofdstuk 1 onderdeel 1.2 van de tarieventabel. 6.. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt of eindigt, wordt het in lid 3 onder b bedoelde aantal keren dat een container ter inzameling wordt aangeboden naar tijdsgelang berekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel