**1..** Voor zover noodzakelijk onderzoekt het college zo spoedig mogelijk in een gesprek als bedoeld in artikel 4.5 tussen deskundigen en de jeugdige en/of zijn ouders:
de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;
het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om op eigen kracht of met ondersteuning van de naaste omgeving of andere dan wel overige voorzieningen een oplossing voor zijn hulpvraag te vinden, al dan niet met behulp van een familiegroepsplan;
de mogelijkheid om een individuele voorziening te verstrekken;
de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouders;
de mogelijkheden voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget, waarbij de jeugdige en/of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
**2..** Als de jeugdige en/of zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek als bedoeld in artikel 4.5.
**3..** Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.6