Naar hoofdinhoud
1.. Voor het beoordelen van de eigen kracht van ouders onderzoekt de gemeente welk deel van de noodzakelijke hulp onder gebruikelijke hulp valt en welk deel van de hulp bovengebruikelijk is. 2.. Voor het deel van de hulp dat onder gebruikelijke hulp valt, hoeft geen individuele voorziening te worden verstrekt. 3.. Voor wat betreft het deel van de bovengebruikelijke hulp onderzoekt de gemeente, in samenspraak met de ouders vervolgens, in hoeverre de ouder(s), eventueel met hulp van het sociale netwerk, in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden; de ouder(s), eventueel met behulp van het sociale netwerk beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden; de ouder(s) de hulp kunnen bieden zonder dat zij overbelast raken; de ouder(s) de hulp zelf kunnen bieden zonder dat er financiële problemen ontstaan in het gezin. Voor dit deel van het onderzoek past de gemeente de normen van het persoonlijk budgetadvies van het Nibud toe. 4.. Indien het antwoord op een van de criteria zoals hiervoor genoemd onder lid 3 a t/m d bevestigend is, beschik(ken) de ouder(s) over voldoende eigen kracht. Voor dat deel van de problematiek waarvoor de jeugdige en/of zijn ouders over voldoende eigen kracht beschikken, wordt geen individuele voorziening verstrekt. 5.. Indien de eigen kracht onvoldoende is, wordt onderzocht of en hoe de jeugdige en/of zijn ouders de eigen kracht, eventueel met behulp van het sociale netwerk zodanig kunnen vergroten dat in de toekomst minder of geen ondersteuning nodig is. Afspraken hierover worden vastgelegd in de beschikking. 6.. Voor het deel van de hulp waarvoor de jeugdige en/of zijn ouders niet over voldoende eigen kracht beschikken, moet verder getoetst worden op de criteria zoals genoemd in de Verordening (artikel 6) om te beslissen of er wel of geen individuele voorziening toegekend moet worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel