Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Afdeling 6

Artikel 5:22

Definities

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020

1.. In deze afdeling wordt verstaan onder: aanlegsteiger: voorziening waaraan schepen kunnen afmeren en ligplaats kunnen nemen; afmeren: het vastleggen van een schip aan wal; ankeren: het vastleggen van een vaartuig aan de bodem van het vaarwater; bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep met dat vaartuig dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten; dag: de periode tussen 00:00 uur en 24:00 uur; haven: een tot duurzame exploitatie bestemde accommodatie te land en/of te water, waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt geboden tot het ter plaatse al of niet onder toezicht gedurende langere tijd achterlaten van een vaartuig, ongeacht of met die exploitatie al of niet winst wordt beoogd; klein schip: een vaartuig, zijnde een schip waarvan de lengte minder dan 20 meter bedraagt, waartoe als lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder boegspriet, de papegaaistok en het trim vlak, dit met uitzondering van: een schip dat is gebouwd of ingericht om andere dan kleine schepen te assisteren, te duwen of om langs de zijkant vastgemaakt mee te voeren; een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren; een veerpont, een visserschip en een duwbak. ligplaats: een gedeelte van het openbaar water dat ingevolge deze verordening door een schip met bijbehorende voorzieningen mag worden ingenomen; oever: overgang tussen land en het openbaar water; openbaar water: water zoals omschreven in artikel 1:1, aanhef, onder j. passagiersvaartuig: een bedrijfsvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot: vervoer van personen, of; om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen; passantenplaats: een ligplaats uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen; pleziervaartuig: een vaartuig dat is bestemd voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, met een romplengte van minimaal 2,5 meter en maximaal 24 meter; rietkraag: rand van riet langs de oever; rondvaartboten/feestboten: een passagiersvaartuig, zoals gedefinieerd in onderdeel i, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot het vervoer van personen, of om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen; scheepswerf: een bedrijf waar schepen worden gebouwd, verbouwd, gerepareerd of geassembleerd. schip: elk vaartuig of watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water; snelle motorboot: een klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller kan varen dan 20 kilometer per uur; surfoever: een veelal door borden of andere merktekens aangeduide plaats op de oever waar door surfers pleegt te worden aangeland; tijdelijke ligplaats: het innemen van een ligplaats korter dan 3 achtereenvolgende dagen; werkstrook: strook in en/of langs het water, waarbinnen werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, die onlosmakelijk verbonden zijn met de vestiging en/of uitvoering van bedrijfsactiviteiten zoals deze zijn toegelaten op een daarvoor bestemde scheepswerf; zwemgelegenheid in oppervlaktewater: locatie in oppervlaktewater, niet zijnde een zweminrichting, waar door een aanmerkelijk aantal personen in elkaars nabijheid pleegt te worden gezwommen; zweminrichting: een voor het publiek toegankelijke plaats die is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen, tezamen met de daarbij behorende terreinen, bouwwerken en uitrustingen. 2.. Onder oevers zijn mede begrepen de oeverbeschermingen en de daarvan deel uitmakende beplantingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel