Het intrekken van de afgegeven urgentieverklaring vindt plaats als de urgent woningzoekende:
Niet langer als woningzoekende als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening is aan te merken;
Bij zijn aanvraag gegevens heeft verstrekt waarvan hij of zij wist of kon vermoeden dat deze onjuist of onvolledig waren;
Eenmaal een aanbod voor een passende woning heeft geweigerd;
Bij overlijden of verhuizing van de urgent woningzoekende;
Wanneer de urgent woningzoekende zelf aangeeft geen behoefte meer te hebben aan de urgentieverklaring.
HOOFDSTUK 4.
Artikel 7.