Ten aanzien van de terugvordering van een uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht, het niet of onvoldoende nakomen van de voorwaarden verbonden aan een geldlening die op grond van artikel 48 of 51 van de Participatiewet is verleend of een vordering die is ontstaan als gevolg van artikel 58, tweede lid onder f. van de Participatiewet, besluit het college af te zien van verdere invordering indien de belanghebbende:
gedurende tien jaar per afzonderlijke vordering volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
gedurende twintig jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat hij/ zij deze op enig moment zal gaan verrichten.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt ambtshalve of op verzoek door de belanghebbende genomen.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing of de aanspraak op het bepaalde in het eerste lid komt te vervallen indien de terugvordering van de uitkering het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht én er sprake is van recidive. Met recidive wordt bedoeld dat binnen een periode van vijf jaar opnieuw sprake is van terugvordering van een uitkering als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de vorderingen die zijn ontstaan als gevolg van het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 50 tweede lid van de Participatiewet en/ of de vordering welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt.
Hoofdstuk 3.
Artikel 11.
Afzien van verdere invordering bij een terugvordering van uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht of wegens het niet nakomen van de voorwaarden verbonden aan een geldlening.
Onderdeel van Beleidsregels invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Harlingen 2021