**1..** Uitgangspunt is het optimaal sturen op dagelijkse kasoverschotten en –tekorten, zodat de rentekosten worden geminimaliseerd en de rentebaten gemaximaliseerd binnen de geldende wet- en regelgeving;
**2..** Het liquiditeitsgebruik wordt beperkt door de geldstromen op gemeenteniveau op elkaar en op de liquiditeitenplanning af te stemmen. Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen;
**3..** Het betalingsverkeer wordt zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd door één bank.
**4..** De gemeente streeft naar concentratie van de overtollige liquiditeiten binnen één rentecompensatie circuit (dienstverlening met één bank);
**5..** Indien er een liquiditeitsbehoefte ontstaat kan de gemeente kortlopende middelen aantrekken; hierbij worden de bepalingen van de Wet FIDO in acht genomen;
**6..** Toegestane instrumenten bij het aantrekken van kortlopende middelen zijn daggeld, kasgeldleningen en kredietlimiet op rekening courant;
**7..** Toegestane instrumenten bij het uitzetten van gelden voor een periode korter dan één jaar zijn rekening-courant, daggeld, spaarrekeningen en deposito’s;
**8..** Bij het extern uitzetten van gelden korter dan één jaar zijn slechts de in artikel 6 genoemde tegenpartijen toegestaan;
**9..** De gemeente vraagt offertes aan bij minimaal 2 instellingen alvorens middelen worden aangetrokken of uitgezet met een looptijd korter dan één jaar; deze offertes worden door de gemeente schriftelijk vastgelegd.
Hoofdstuk 5.
Artikel 12.