Naar hoofdinhoud
1.. De artikelen 254, lid 1, onder a, d, e en f en lid 3, voor zover het in dat lid genoemde lid 1 betreft, 262, 264 en 270 der bouwverordening zijn van overeenkomstige toepassing op zomerhuizen en daartoe behorende bergplaatsen, met dien verstande dat in artikel 270 voor ‘deze verordening’ wordt gelezen ‘de verordening op de recreatiewoonverblijven’. 2.. Onverminderd het bepaalde in het bij artikel 115 dezer verordening o.m. van toepassing verklaarde lid 2 van artikel 376 der bouwverordening, zijn burgemeester en wethouders in de gevallen, waarin in de verordening op de recreatiewoonverblijven en de krachtens deze verordening vastgestelde nadere regelen bepalingen voorkomen, waarin is verwezen naar een Norm, uitgegeven door het Nederlands normalisatie-instituut of door de Hoofdcommissie voor de Normalisatie in Nederland of naar keuringseisen of naar een voorschrift, dat ook niet in de verordening op de recreatiewoonverblijven is opgenomen en de bevoegde instantie die Norm, die keuringseisen of dat voorschrift heeft herzien en de herziening heeft gepubliceerd, bevoegd met deze herziening rekening te houden. 3.. Behalve de elders in hoofdstuk 5 dezer verordening genoemde vrijstelling kan vrijstelling worden verleend van de bepalingen van de afdelingen B, C en D van dat hoofdstuk en van de krachtens die bepalingen gestelde nadere regelen, bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een zomerhuis of een daartoe behorende bergplaats, dat/die bij de inwerkingtreding van deze verordening reeds bestond of voor welke bouw krachtens een vóór dat tijdstip geldende verordening vergunning was verleend, mits de bestaande toestand wordt verbeterd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel