Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
**a..** parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in/of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
**b..** houder van een motorrijtuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in lid 5 van artikel 225 van de Gemeentewet;
**c..** parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer voor het verlenen van diensten op het gebied van telefonische betalingen bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;
**d..** parkeerapparatuurplaats: een gemeentelijke parkeervoorziening waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door middel van parkeerapparatuur, waaronder inbegrepen de parkeerplaatsen welke zijn aangeduid met het bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 (of de zonale variant daarvan), met de toevoeging (op het bord of op een onderbord) van de tekst ‘dagkaart toegestaan’;