Naar hoofdinhoud
Volgens de Jeugdwet is het college niet verplicht een individuele voorziening te verstrekken als recht bestaat op zorg op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een andere wettelijke bepaling. Van de jeugdige en/of ouder(s) wordt verwacht dat zij actief aanspraak proberen te maken op een andere voorliggende voorziening. De jeugdige en/of ouder(s) dienen daarom op verzoek van het college binnen twee weken een aanvraag onder een andere wet of een declaratie op basis van de (aanvullende) verzekering in. Als aan het verzoek van het college niet binnen twee weken gevolg wordt gegeven, is de weigering om het verzoek in te willigen tezamen met de mening van het college dat er sprake is van een voorliggende voorziening een afwijzingsgrond voor de aanvraag voor een individuele voorziening jeugdhulp. Van een andere voorliggende voorziening is geen sprake als vaststaat dat de voorziening op basis van de andere wettelijke bepaling is afgewezen of als vaststaat dat de jeugdige daar niet voor in aanmerking komt. Omdat de afbakening tussen de Jeugdwet met de Wlz en de Zvw veelvuldig voorkomt, worden deze hieronder nader toegelicht. Afbakening Wlz Voor zover de jeugdige de benodigde zorg vanuit de Wlz kan krijgen, hoeft het college hiervoor geen jeugdhulp in te zetten. Dit geldt ook wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor een indicatie voor Wlz-zorg, maar hij of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit. Ook in dat geval mag het college een voorziening op grond van de Jeugdwet weigeren.16Zie artikel 1.2 lid 1 sub c van de Jeugdwet Jeugdigen kunnen in aanmerking komen voor een indicatie op grond van de Wlz als ze een blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid vanwege de volgende beperkingen:17Zie artikel 3.2.1 lid 1 van de Wet langdurige zorg een somatische aandoening of beperking; een verstandelijke beperking; een lichamelijke beperking; een zintuiglijke beperking. Wlz-zorg wordt geïndiceerd door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Afbakening Zvw Als een jeugdige de benodigde zorg op grond van de Zvw krijgt, bestaat er geen recht op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. De Zvw regelt het recht op geneeskundig zorg of een hoog risico daarop. Met ‘hoog risico daarop’ wordt bedoeld dat geneeskundige zorg op grond van de Zvw ook verleend kan worden aan verzekerden bij wie nog geen sprake is van een ziekte, aandoening of beperking maar wel een ‘hoog risico’ hierop hebben. De Zvw-aanspraken zijn door de overheid vastgelegd in een basispakket. Het basispakket geeft jeugdigen recht op:18Zie artikel 10 van de Zvw en artikel 2.4 t/m 2.15 van het Besluit zorgverzekering geneeskundige zorg, waaronder de integrale eerstelijnszorg zoals die door huisartsen en verloskundigen worden geboden; mondzorg; farmaceutische zorg (inclusief verstrekking van medicijnen); hulpmiddelenzorg; medisch-specialistische zorg (verpleging en verzorging, inclusief wijkverpleging),zie ook paragraaf 4.3.2 van deze beleidsregels; verblijf in verband met geneeskundige zorg; zintuiglijk gehandicaptenzorg; paramedische zorg (fysiotherapie, oefentherapie, logopedie, ergotherapie en diëtetiek); ziekenvervoer. De aanvullende zorgverzekering is geen andere wettelijke voorliggende voorziening. Echter in het kader van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt wel verwacht dat ouders en jeugdigen hier gebruik van maken, zie paragraaf 3.4 van deze beleidsregels.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel