Volgens de Jeugdwet kan het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden onder de jeugdhulpplicht vallen als de jeugdige niet zelfstandig kan reizen vanwege een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid.35Zie artikel 2.3 lid 2 van de Jeugdwet In het kader van (boven) gebruikelijke hulp wordt van ouders verwacht dat zij hun kind zelf vervoeren als ze dat kunnen en hiervoor ook beschikbaar zijn, zie het afwegingskader in paragraaf 3.2 van deze beleidsregels. Volgens de memorie van toelichting bij de Jeugdwet is het bovendien niet nodig om een vervoersvoorziening toe te kennen als ouders hun kind zelf gemakkelijk kunnen vervoeren, omdat er geen speciaal (medisch) vervoer nodig is.36Zie de memorie van toelichting bij de Jeugdwet: TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, pagina 141 Van ouders wordt in principe verwacht dat ze hun kind zelf vervoeren en daarvoor beschikbaar zijn.
Voor de beoordeling of toekenning van een vervoersvoorziening noodzakelijk is, worden de volgende criteria gehanteerd.
Er is sprake van een medische noodzakelijkheid en/of een beperking in de zelfredzaamheid. Indien de jeugdige in staat is zelf met het openbaar vervoer te reizen dan wel onder begeleiding van zijn ouder(s), dan wordt geen vervoersvoorziening toegekend.
Ouders kunnen hun kind niet zelf vervoeren met eigen vervoer dan wel met het openbaar vervoer en/of zijn hiervoor niet beschikbaar. Zie voor de beoordeling of sprake is van (boven)gebruikelijke hulp paragraaf 3.2 van deze beleidsregels.
Het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) is niet beschikbaar om de jeugdige te vervoeren of om samen met de jeugdige te reizen.
De toegekende individuele voorziening is langdurig noodzakelijk voor de jeugdige. Als de hulp van kortdurende aard is, dient het vervoer zelf door de ouder(s) te worden georganiseerd.
De jeugdige kan met het leerlingenvervoer reizen. Bij daghulpvoorzieningen wordt soms ook onderwijs geboden. Als sprake is van een onderwijsinschrijving, dient gebruik te worden gemaakt van leerlingenvervoer.
In overleg met de jeugdhulpaanbieder wordt gekeken of de hulp op een moment kan worden ingezet dat ouder(s) of het eigen sociale netwerk in staat zijn zelf met de jeugdige te reizen. Bijvoorbeeld door de jeugdige iets eerder of iets later brengen als daardoor de ouder(s) of betrokkenen vanuit het eigen sociale netwerk in staat is/zijn om zelf met de jeugdige te reizen. Of door gebruik te maken van de eigen busjes waarover sommige zorgaanbieders beschikken, dan wel het vervoer te combineren met andere ouder(s) van jeugdigen die bij dezelfde dagbehandeling/ besteding zitten.
Uit de Jeugdwet volgt dat een voorziening voor vervoer enkel mogelijk is voor jeugdigen.37Zie artikel 2.3 lid 2 van de Jeugdwet Ouders kunnen niet in aanmerking komen voor vervoer op grond van de Jeugdwet. Als ouders hun kind willen bezoeken op de jeugdhulplocatie, kunnen ze daar dus geen voorziening voor krijgen op grond van de Jeugdwet.
4.7.1Financiële draagkracht
Indien ouder(s) aangeven dat zij hun kind kunnen vervoeren en hiervoor ook beschikbaar zijn maar dat zij de kosten van het vervoer niet kunnen betalen, wordt beoordeeld of en in hoeverre ouders financieel draagkrachtig zijn. Om de financiële draagkracht van ouders te beoordelen wordt aansluiting gezocht bij normen vanuit het NIBUD om te beoordelen of de financiële situatie ook zonder een persoonsgebonden budget nog 'houdbaar' is. Hiervoor wordt gebruikt gemaakt van een rekentool van het NIBUD, namelijk het persoonlijk budgetadvies'.38Zie https://persoonlijkbudgetadvies.nibud.nl/#/panel/0 Van ouder(s) wordt verwacht dat ze inzicht geven in hun financiële situatie zodat het college kan beoordelen of ouder(s) financieel draagkracht zijn. Weigeren ouder(s) inzicht te geven in hun financiën, dan wordt geen persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening voor eigen inzet toegekend.
Als uit onderzoek blijkt dat ouder(s) niet financieel draagkrachtig zijn en is voldaan aan bovengenoemde criteria, dan kan een persoonsgebonden budget voor het een vervoersvoorziening voor eigen inzet worden toegekend. Hierbij wordt voor de berekening van het aantal kilometers uitgegaan van de kortste route volgens de ANWB-Routeplanner en een vervoerskostenvergoeding ad € 0,19 per gereden kilometer.
Hoofdstuk 1.
Artikel 4.7