Een pgb wordt verstrekt als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden41Zie artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 6.1 lid 3 van de verordening .
Voorwaarde 1. Pgb-vaardig
De jeugdige en/of ouder(s) zijn naar het oordeel van het college voldoende in staat tot een redelijke waardering van hun belangen én zijn in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen zich hiervoor ook laten vertegenwoordigen door een persoon uit het sociale netwerk, een curator, een bewindvoerder, een mentor, een gemachtigde, een gecertificeerde instelling of een aanbieder van gesloten jeugdhulp42Zie artikel 8.1.1 lid 2 sub a van de Jeugdwet . Deze vertegenwoordiger mag niet tevens de uitvoerder of zorgverlener zijn van de jeugdhulp die met het pgb wordt ingekocht omdat hij dan niet kritisch en met voldoende afstand de beheerstaken kan vervullen43Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 27-11-2019, ECLI:NL:CRVB:3761 . Dit geldt ook voor een pgb conform het niet-professionele tarief, wanneer bijvoorbeeld een familielid de hulp verleent. Het uitgangspunt is dat degene die de jeugdhulp levert door middel van het pgb, niet tevens in staat is zichzelf aan te sturen en aan te spreken en dus het pgb-beheer uit te voeren. Enkel wanneer naar het oordeel van het college geen sprake is van een onacceptabele belangenverstrengeling en uiteraard ook aan alle overige criteria (inclusief de kwaliteitseisen) wordt voldaan, kan deze dubbelrol worden toegestaan.
Het beheren van een pgb is geen eenvoudige en vrijblijvende taak. Met een pgb nemen de jeugdige en/of ouder(s) of hun vertegenwoordiger zelf de regie in handen en organiseren en kopen zij zelf de toegekende individuele voorziening in. Hiervoor is het noodzakelijk dat zij inzicht hebben in de hulpvraag en welke ondersteuning hier het beste bij past. Daarnaast moeten de jeugdige en/of ouder(s) of hun vertegenwoordiger zelf zorgverleners inhuren, goede afspraken met de zorgverleners maken, zorgverleners aansturen, zorgdragen voor tijdige declaratie van de geboden hulp, de administratie bijhouden, bijdragen aan tijdige en correcte betaling door de Sociale verzekeringsbank (SVB) en zorgdragen voor vervanging tijdens zieke en verlof van de zorgverlener.
Voor de beoordeling van de pgb-vaardigheid wordt onder meer gebruik gemaakt van de in bijlage 4 opgenomen checklist ‘10 punten pgb-vaardigheid’ van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport. Deze checklist is een hulpmiddel bij het gesprek dat de medewerker van het Kernteam met de jeugdige en/of ouder(s) voert over de keuze van zorg in natura of een pgb en is bedoeld om meer inzicht te geven in de mate waarin de jeugdige en/of ouder(s) of hun vertegenwoordiger beschikken over de vaardigheden die noodzakelijk zijn om een pgb te beheren. Wanneer het college van oordeel is dat de jeugdige en/of ouder(s) of hun vertegenwoordiger niet in staat zijn een pgb te beheren, dan wordt een pgb-aanvraag geweigerd en wordt de individuele voorziening in natura te verstrekt.
Het college kan oordelen dat de jeugdige en/of ouders of hun vertegenwoordiger niet geschikt zijn de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren, als sprake is van de volgende omstandigheden:
degene die het pgb beheert is handelingsonbekwaam;
degene die het pgb beheert heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke beperking of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie;
bij degene die het pgb beheert is sprake van ernstige verslavingsproblematiek;
bij degene die het pgb beheert is sprake van problematische schuldenproblematiek;
eerder is door degene die het pgb beheert misbruik gemaakt van een pgb;
eerder is sprake geweest van fraude door degene die het pgb beheert.
Als één of meerdere van deze omstandigheden zich voordoen kan dat een reden zijn om het pgb te weigeren. Dat is het geval als gevolg van één van deze omstandigheden de jeugdige en/of ouder(s) of hun vertegenwoordiger niet in staat worden geacht om de taken verbonden aan het pgb op de juiste manier uit te voeren. Deze opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is, omdat de taken niet naar behoren kunnen worden uitgevoerd, waardoor het pgb wordt geweigerd.
Voorwaarde 2. Motivering dat zorg in natura aanbod niet passend is
De jeugdige en/of ouder(s) geven gemotiveerd aan waarom er voor een pgb wordt gekozen en waarom het zorg in natura aanbod van de gemeente voor hen niet passend is. Concreet betekent dit dat de jeugdige en/of ouder(s) met argumenten duidelijk moeten maken dat zij zich voldoende hebben georiënteerd op de mogelijke voorzieningen in natura. Door het opstellen van een bestedingsplan worden de jeugdige en/of ouder(s) gestimuleerd na te denken over de zorgvraag en de ondersteuning. Het is de keuze van de jeugdige en/of ouder(s) om voor een pgb te kiezen en niet van de in te huren aanbieder of zorgverlener.
Voorwaarde 3. De jeugdhulp voldoet aan de kwaliteitseisen
De jeugdhulp die de jeugdige en/of zijn ouder(s) met het pgb willen inkopen moet voldoen aan kwaliteitseisen.
Professionele jeugdhulp
Voor professionele jeugdhulp die wordt ingekocht met het pgb, gelden dezelfde eisen als voor gecontracteerde aanbieders. Deze kwaliteitseisen staan vermeld in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. Hierin staan onder andere de norm van verantwoorde werktoedeling, de verplichting van een verklaring omtrent gedrag en het werken met familiegroepsplan vermeld. De landelijke Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid houden toezicht op het naleven van deze kwaliteitseisen. Het college moet daarnaast in het kader van de voorwaarden van kwaliteit beoordelen of de hulp die de jeugdprofessional of jeugdhulpaanbieder zal verlenen een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s). Het gaat hier vooral om een toets op de doelmatigheid. Beoordeeld wordt of de in te zetten jeugdhulp een oplossing biedt voor de ontwikkeldoelen van de jeugdige en/of ouder(s).
Niet-professionele jeugdhulp
Voor niet-professionele jeugdhulp gelden de algemene kwaliteitseisen van hoofdstuk 4 van de Jeugdwet niet. Het gaat dan om de situaties waarin de ouder(s) zelf de hulp aan hun kind willen bieden of de jeugdhulp willen laten uitvoeren door een persoon uit het sociale netwerk. Het college moet in het kader van de voorwaarde van kwaliteit beoordelen of de kwaliteit van deze jeugdhulp gewaarborgd is. Het college moet dus vaststellen of de kwaliteit van de hulp die de ouder(s) of de persoon uit het sociaal netwerk biedt, passend en toereikend is gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen van de jeugdige. Of de kwaliteit van de hulp toereikend is, is niet alleen afhankelijk van de bekwaamheid van de beoogde hulpverlener en zijn wijze van hulpverlening, maar ook van de situatie en (achtergrond van) de problematiek van de jeugdige. De hulp die een hulpverlener biedt, kan immers de ene jeugdige wel in staat stellen zijn doelen te realiseren, terwijl dit de andere jeugdige (gelet op zijn problematiek) onvoldoende oplossing biedt.
Het college onderzoekt daarom altijd welke hulp de jeugdige nodig heeft. Het gaat dan niet alleen om de vorm, frequentie en duur. Ook wordt beoordeeld of de situatie van de jeugdige professionele hulp noodzakelijk maakt of dat de jeugdige de doelen ook kan bereiken als er hulp wordt geboden door iemand uit het sociaal netwerk. Als de beoordeling van de situatie van de jeugdige tot de conclusie leidt dat – gelet op zijn specifieke problematiek – alleen professionele hulp een doeltreffende oplossing voor de hulpvraag biedt, dan kan deze hulp niet door iemand uit het sociaal netwerk worden geboden. Professionele hulp betekent immers niet alleen dat er aan de hand van bepaalde methoden wordt gewerkt en de betreffende professional de noodzakelijke diploma’s heeft, maar ook dat de professional objectief en onafhankelijk kan handelen. Ouder(s) of een andere persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige kunnen door diens persoonlijke relatie met de jeugdige niet volledig objectief en onafhankelijk handelen, waardoor de kwaliteit van deze hulp niet voldoende is. Om deze reden is GGZ-behandeling van een jeugdige door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk uitgesloten.
Hoofdstuk 1.
Artikel 5.2