Het college kan een besluit tot verlening van een individuele voorziening beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als wordt vastgesteld dat: 51Zie artikel 7.1 lid 2 van de verordening
de jeugdige en/of ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
de jeugdige en/of ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het pgb zijn aangewezen;
de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;
de jeugdige en/of ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb;
de jeugdige en/of ouder(s) de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor deze is bestemd.
Van beëindiging is sprake als het college de aanspraak op een individuele voorziening stopt met ingang van het heden of naar de toekomst toe. Bij wijziging past het college het verleningsbesluit aan vanaf het heden of naar de toekomst toe. Het recht blijft dus wel bestaan, maar met een andere omvang of vorm. Van intrekking is sprake indien uit onderzoek van het college blijkt dat achteraf gezien over een bepaalde periode in het verleden geen recht op een voorziening heeft bestaan. In het algemeen heeft een besluit tot intrekking dus terugwerkende kracht. Indien in het verleden wel recht heeft bestaan, maar dat recht gecorrigeerd moet worden, dan is er sprake van herziening.
Hoofdstuk 1.
Artikel 6.3