Naar hoofdinhoud
1.. Een cliënt met een behoefte aan beschermd wonen of zijn wettelijk vertegenwoordiger kan zich melden bij elke gemeente in een beschermd wonen regio. 2.. Een begeleider dan wel aanbieder kan niet namens een cliënt een aanvraag indienen. 3.. De cliënt kan zich bij de procedure laten bijstaan door een vertrouwenspersoon. Dit kan een naastbetrokkene zijn, een patiëntenvertrouwenspersoon of een onafhankelijke cliëntondersteuner. De wensgemeente – waar de melding wordt gedaan – zal de cliënt daarop wijzen. 4.. Elke melding voor beschermd wonen wordt gevolgd door een onderzoek en als een aanvraag wordt ingediend door een besluit door de regiogemeente waar de cliënt zich wil vestigen. Dit is dus de wensgemeente als een cliënt zich elders wil vestigen. 5.. Elke regiogemeente hanteert eigen toegangscriteria en beschikt over een eigen infrastructuur aan beschermd wonen en beoordeelt de aanvraag op basis hiervan. De gemeente die beoordeelt kan ervoor kiezen het eventuele besluit van de gemeente van herkomst van de cliënt over te nemen. 6.. Het is de combinatie van de wens van de cliënt met inhoudelijke criteria die de doorslag geven bij het besluit of een gemeente in een beschermd wonen regio passend is voor de cliënt om zich te vestigen. Aanbevolen wordt de gemeente van herkomst van de cliënt te betrekken bij het onderzoek en onderstaande criteria te hanteren: Aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie en vrienden) om: beschermd wonen te voorkomen, uitstroom naar vormen van zelfstandig wonen te bevorderen. Voorwaarden voor succesvolle trajecten, zoals: (reeds ingezette) actieve schuldhulpverlening, een bestaande relatie met GGZ of andere hulpverlening, reeds ingezette scholing, (vrijwilligers) werk, of passende dagbesteding, eventueel aanwezige veiligheidsrisico’s op de huidige woonplek, de behoefte aan een specifieke aanpak of een specifieke voorziening. Gegronde redenen om tegemoet te komen aan de wens van een cliënt, anders dan de hierboven genoemde voorwaarden. 7.. Het uiteindelijke besluit van de gemeente noemt en onderbouwt in ieder geval de aanbevolen inhoudelijke argumenten. Dit is van belang voor een mogelijke bezwaarprocedure van de aanvrager en voor het voorleggen van een geschil tussen regiogemeenten van een beschermd wonen regio, aan de geschillencommissie. Voor het onderzoek en de beslissing op de aanvraag gelden de termijnen van artikel 2.3.2, eerste lid, en 2.3.5 tweede lid, van de Wmo 2015. 8.. Wachtlijst. Indien er niet direct toegang is tot de gewenste plek, dan komt de aanvrager op een wachtlijst. Gemeenten zijn vanaf het moment dat met de cliënt wordt gesproken over de plaatsing in een instelling, transparant over de wachtlijsten. De cliënt weet dan waar hij of zij aan toe is. 9.. Overbruggingszorg. Als de wensgemeente positief besluit, maar de aanvrager op een wachtlijst plaatst, dan moet die gemeente besluiten of overbruggingszorg noodzakelijk is. Totdat de geschikte plek beschikbaar is, levert de instelling waar de cliënt op dat moment verblijft de eventuele overbruggingszorg. De herkomstgemeente is verantwoordelijk voor de financiering. Als een cliënt in een behandelsetting (zorginstelling, forensische penitentiaire kliniek) verblijft vindt overleg plaats over de datum van uitstroom. Als de aanvrager al gebruik maakt van een plek in een voorziening voor beschermd wonen, blijft de bestaande situatie gehandhaafd tot de geschikte plek in de wensgemeente beschikbaar is. 10.. Tijdelijk verblijf. Het kan voorkomen dat een cliënt uit regiogemeente A bewust tijdelijk in een instelling in een andere regiogemeente (regiogemeente B) verblijven. ‘Tijdelijk verblijf’ is verblijf korter dan een jaar, waarbij vanaf het begin de intentie aanwezig is om de cliënt terug te laten keren naar een instelling van regiogemeente A. of om uitstroom te realiseren. Regiogemeente A financiert in dit geval de plek voor de cliënt in regiogemeente B. Dit maakt het tijdelijke verblijf voor de cliënt mogelijk. Deze vorm van tijdelijk verblijf valt verder buiten de afwegingen van deze beleidsregel. 11.. Overdracht van cliënten. Gemeenten dragen zorg voor een warme overdracht van cliënten, maar ook instellingen hebben een verantwoordelijkheid om aan een warme overdracht van cliënten mee te werken. 12.. Als uit het onderzoek bij de gemeente van aanmelding (regiogemeente A) volgt dat het beschermd wonen het beste in een andere wensgemeente B kan plaatsvinden of als een cliënt zelf naar wensgemeente B gaat, neemt de aangewezen contactpersoon van de regiogemeente A contact op met de aangewezen contactpersoon van de andere wensgemeente B: De cliënt meldt zich bij gemeente B. Gemeente B besluit op basis van eigen onderzoek of de cliënt toegang tot een instelling voor beschermd wonen krijgt of neemt het onderzoek van gemeente A over. Gemeente A en gemeente B maken afspraken over het organiseren van een (warme) overdracht van de cliënt. 13.. De overdracht van een cliënt vindt plaats onder regie van de regiogemeenten. De betrokken instellingen maken in elk geval afspraken over: de datum van overgang, de instelling die de cliënt opneemt, de overdracht van de persoonlijke gegevens. 14.. Eventuele verhuiskosten van een beschermd wonen plek naar een andere beschermd wonen plek worden in principe gedragen door de cliënt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel