Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.6

Wet langdurige zorg en Wmo 2015

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Breda 2021

De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, behoudens de uitzonderingsbepaling (art. 8.6a van de wet). Het gaat alleen nog om de uitzondering van cliënten die thuis wonen en zijn aangewezen op een woningaanpassing of hulpmiddel. In alle andere gevallen onderzoekt het college bij de melding van hulpvraag altijd of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Het kan daarbij ook om de partner of een meerderjarige huisgenoot van de cliënt gaan. Dat is van belang omdat huishoudelijke ondersteuning onderdeel is van de Wlz-indicatie. Samenloop met Wlz Volgens de Centrale Raad van Beroep kunnen de Wmo 2015 en de Wlz naast elkaar bestaan als de behoefte aan ondersteuning niet door de Wlz wordt gedekt (CRVB:2018:3933). Denk bijvoorbeeld aan de Deeltaxi voor verzekerden die in een Wlz-instelling verblijven. Onderzoek De procedure van artikel 2.3.2 van de wet moet in zo’n situatie worden doorlopen (vraagverhelderingsgesprek). Daaruit zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de hulpvraag is en de behoefte aan ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Toepassing kan-bepaling Het college kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening weigeren, maar is niet verplicht dat te doen. Wordt een maatwerkvoorziening verstrekt dan geldt daarbij niet dat deze een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De grondslag voor de beslissing op de aanvraag gebaseerd wordt namelijk gebaseerd op artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet (de kan-bepaling van dat lid). Dat wil zeggen: het college moet motiveren waarom wel of geen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om de aanvraag te weigeren (kan het college in redelijkheid tot het besluit komen). Tijdelijke indicatie Onder een spoedeisende situatie kan ook een tijdelijke indicatie vallen gedurende de periode van de beslissing op de aanvraag om een indicatie voor de Wet langdurige zorg (EK 2013/14, 33 841, G, p. 24). In die gevallen stelt het college een tijdelijke indicatie. De duur van deze tijdelijke verstrekking is afhankelijk van de beslistermijn waaraan het CIZ gehouden is. Het ligt in die situatie voor de hand dat ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet. Die indicatie wordt door de wijkverpleegkundige gesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel