Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.3

Beoordelingskader

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Breda 2021

Het onderzoek Uitgaande van de hulpvraag van de cliënt geldt de volgende werkwijze. Tijdens het onderzoek worden de problemen geïnventariseerd die de cliënt heeft in zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer (participatie). Op basis van die inventarisatie wordt beoordeeld of ondersteuning nodig is, en zo ja welke. Ook worden vanzelfsprekend de al aanwezige vervoersvoorzieningen meegenomen bij de boordeling. Dat wil zeggen als de cliënt zich (opnieuw) meldt met een hulpvraag voor een nieuwe vervoersvoorziening dan beoordeelt het college of met de al aanwezige vervoersvoorziening(en) kan worden voorzien in de vervoersbehoefte. Is dat het geval dan bestaat er geen noodzaak om nog een vervoersvoorziening te verstrekken (CRVB:2020:2664). Beperkingen Het spreekt voor zich dat om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen het (ook) een vereiste is dat de cliënt geobjectiveerde beperkingen moet ondervinden in het zich lokaal verplaatsen. Vervoersbehoefte Een te verstrekken vervoersvoorziening is afhankelijk van de lokale vervoersbehoefte. Die wordt tijdens het onderzoek geïnventariseerd. De lokale vervoersbehoefte van de cliënt kan betrekking hebben op het zich lokaal kunnen verplaatsen (korte en middellange afstand, gerichte en ongerichte bestemmingen) om: mensen te kunnen ontmoeten, contacten te kunnen onderhouden, boodschappen kunnen doen, en aan maatschappelijke activiteiten kunnen deelnemen. Op basis van de aard en omvang van de vervoersbehoefte wordt bepaald welke maatwerkvoorziening als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het spreekt voor zich dat alleen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt als voorliggende oplossingen niet passend zijn.

Rechtspraak bij dit artikel