Er nog twee wettelijke uitsluitingsgronden (art. 2.3.6, vijfde lid, van de wet). Het college is bevoegd daarover een beleidsregel vast te stellen.
1.Duurdere maatwerkvoorziening
Het kan voor komen dat de budgethouder een duurdere maatwerkvoorziening wil inkopen terwijl het pgb alleen toereikend is om de geïndiceerde maatwerkvoorziening in te kunnen kopen. In dat geval weigert het college het meerdere van de kosten die daarmee gemoeid zijn. Het is dan aan de budgethouder om de meerkosten zelf te betalen. Let wel het college beoordeelt nog steeds of de kwaliteit van de in te kopen (duurdere) maatwerkvoorziening voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De budgethouder moet het pgb (nog steeds) op een verantwoorde manier aanwenden (CRVB:2017:1971). Als college aanleiding heeft om te twijfelen of de budgethouder de in te kopen maatwerkvoorziening wel kan bekostigen, zal de cliënt daar desgevraagd bewijsstukken van moeten overleggen. Dit om te voorkomen dat toch een maatwerkvoorziening van onvoldoende kwaliteit wordt ingekocht of de cliënt geen maatwerkvoorziening inkoopt waarmee hij gedurende de budgetperiode kan voorzien in zijn ondersteuningsbehoefte.
2. Pgb-besluit eerder ingetrokken
Heeft het college eerder een pgb-besluit ingetrokken, dan komt de cliënt gedurende 12 maanden niet voor een pgb in aanmerking (art. 2.3.6, vijfde lid onderdeel b, van de wet). De termijn gaat in vanaf de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit. Dat wil dus zeggen dat het college een pgb-verzoek kan weigeren zonder te beoordelen of wel wordt voldaan aan de voorwaarden.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.10
Overige weigeringsgronden
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Breda 2021