Naar hoofdinhoud
Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het college niet zelf ter zake deskundig is en om die reden advies moet vragen. Vereist is namelijk dat de beperkingen van de cliënt objectiveerbaar zijn, dat wil zeggen vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (CRVB:2019:2909 en CRVB:2009:BK4567). In het algemeen geldt dat het college allereerst een standpunt moet innemen of het zelf over de benodigde deskundigheid beschikt om de aanspraak op een maatwerkvoorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het college zelf in staat zijn om: de beperkingen van de cliënt op het gebied van de zelfredzaamheid en/of participatie te kunnen vaststellen, of zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing. Advies vragen In het algemeen geldt dat als dat oordeel betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn. Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het college onderzoek laten doen door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert. Gaat het niet om het vaststellen van beperkingen, dan kan het advies bijvoorbeeld ook door een paramedicus worden gegeven. Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Ook als het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet, kan er aanleiding om advies op te vragen. Het is van belang dat het college een juiste vraagstelling formuleert voor de adviseur. 15.2 Beoordeling advies In dit onderdeel van de beleidsregels staat een overzicht van eisen die gebruikt kunnen worden om te beoordelen of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Het overzicht is niet-limitatief beschreven, er zijn dus meer criteria of voorbeelden denkbaar. Het advies moet volledig en zorgvuldig zijn en de bestaande informatie moet bij de advisering betrokken zijn. Verder moet de adviseur in ieder geval alle de aan hem gestelde vragen beantwoorden, tenzij daar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Onderzoeksmethode en informatie Hieruit moet blijken op welke datum, manier en plaats door welke adviseur (naam en zijn deskundigheid) onderzoek is verricht. Dat kan door een huisbezoek, een telefoongesprek, maar ook zonder de cliënt te spreken. In dat laatste geval heeft mogelijk alleen dossieronderzoek plaatsgevonden of heeft de adviseur contact gehad met de behandelende sector, bijvoorbeeld de huisarts of een andere behandelaar. Dat moet blijken uit het advies waarbij de opgevraagde informatie een juist en actueel beeld moeten geven van de gezondheidstoestand. Ook moet het advies vermelden of de adviseur zelf (lichamelijk) onderzoek heeft gedaan, en zo niet, wat daarvan de reden is. Is het advies alleen gebaseerd op een anamnese, dan kan het advies onvolledig zijn. Uit het advies moet blijken hoe de anamnese zich verhoudt tot resultaten van het (eigen) onderzoek en/of de conclusies die daaraan worden verbonden. Uit advies moet blijken wat de deskundigheid is van de adviseur. Dat kan blijken uit de ondertekening van het advies. Is de cliënt onder behandeling en is zijn behandelaar niet geraadpleegd, dan moet het advies vermelden waarom de adviseur dat niet noodzakelijk acht. Het advies moet gebaseerd zijn op actuele feiten en gegevens. De term 'actueel' laat zich niet als standaard kwantificeren, maar is afhankelijk van de individuele situatie. Uit het advies moet blijken volgens welke maatstaven het onderzoek is verricht. Heeft de adviseur intercollegiaal overleg gevoerd, dan moet het advies vermelden waar dat overleg betrekking op had en wat de invloed is geweest op de inhoud en de conclusie(s) van het advies. De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is. Als de adviseur (namens het college) een expertiseonderzoek laat uitvoeren, dan mag aan die deskundige worden gevraagd beperkingen vast te stellen. In die gevallen worden zware eisen gesteld aan de deskundigheid van die adviseur. Probleemanalyse in het advies Hieruit moet inzichtelijk blijken of de cliënt beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. En zo ja, welke dat zijn en in welke mate. Het is aan het college om te bepalen welke maatwerkvoorziening is aangewezen. In het advies moeten allereerst alle relevante feiten worden vermeld die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen en vervolgens moeten deze feiten zijn betrokken in de probleemanalyse en de conclusie(s). Het advies moet vermelden wat bijvoorbeeld de stoornis (verlies van functies of anatomische eigenschappen) is en welke beperkingen (problemen bij uitvoeren van activiteiten) daar uit voorvloeien. Het advies zelf mag geen diagnose bevatten, omdat het advies dan niet meer objectief is. Het is van belang dat het advies vermeldt wat de prognose van de beperkingen is, zo mogelijk met een tijdpad. Een prognose kan progressief of stationair zijn. Inhoud, motivering en gegevens van het advies Het advies moet inzichtelijk en logisch zijn en de bestaande informatie moet bij de advisering betrokken worden. De bevindingen en de overwegingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is (zie ook hiervoor). Het advies moet zijn voorzien van een deugdelijke en voor derden kenbare schriftelijke motivering. Conclusie(s) en ondertekening van het advies De conclusie(s) van de adviseur moeten aansluiten op zijn bevindingen en mogen daar zeker niet mee in tegenspraak zijn. Het advies moet concludent zijn; uit de overwegingen van het advies volgt logischerwijs de conclusie. Dat wil zeggen: het advies is inzichtelijk op basis waarvan waarnemingen en verklaringen en de getrokken conclusies zijn gebaseerd en langs welke weg vervolgens die conclusies zijn bereikt. Het advies wordt ondertekend door de adviseur zelf en eventueel (ook) door de adviseur (meestal een arts) onder wiens verantwoordelijkheid het advies tot stand is gekomen. Het advies moet vermelden dat de strekking ervan is verteld aan de cliënt en of deze zich daarin kan vinden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel