Naar hoofdinhoud
Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 is per 1 januari 2020 gewijzigd en bepaalt ook dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie - naar oordeel van het college - met een algemeen gebruikelijke zaak of dienst kan verminderen of wegnemen, dat er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. Een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat uit zaken, diensten die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, niet speciaal voor mensen met een beperking zijn ontworpen en niet aanzienlijk duurder zijn dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel (passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie), zie TK 2018-2019, 35 093, nr. 3 (Memorie van Toelichting Wmo, artikelsgewijs). Ratio Deze bepaling heeft als doel te voorkomen dat een maatwerkvoorziening wordt verstrekt terwijl, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze zou (hebben kunnen) beschikken over een algemeen gebruikelijke zaak of dienst als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Nadere precisering criteria In haar uitspraak van juli 2018 (CRVB:2018:2182) geeft de CRVB aan dat een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt deze dienst daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin betrokkene tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en door een persoon als betrokkene financieel kan worden gedragen. In deze uitspraak ging het om de vraag of een maaltijdvoorziening, in dit geval Tafeltje Dekje, algemeen gebruikelijk is. Tafeltje Dekje, zo oordeelde de CRvB verder, levert voor betrokkene een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten hiervan behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn voor een persoon als betrokkene met haar inkomen. De CRvB heeft in november 2019 een uitspraak gedaan met betrekking tot het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535, zie ook hierboven). De zaak had betrekking op de renovatie ad € 6.500,00 van een 35 jaar oude badkamer. De CRvB geeft in de uitspraak van november 2019 dat aan dat deze uitleg van dit begrip voortbouwt op en een nadere precisering is van CRVB:2018:2182. De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Deze uitleg van het begrip algemeen gebruikelijke voorziening wijkt af van de uitleg van dit begrip in eerdere jurisprudentie (en zoals ook beschreven staat in bovengenoemde Memorie van Toelichting). Dit heeft met name betrekking op het laatste punt. Voorheen ging het niet alleen om de vraag of een zaak of dienst algemeen gebruikelijk was, maar ook of deze voor de persoon als cliënt algemeen gebruikelijk was. Nu gaat het nu of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Dit betreft een abstracte toets, die los staat van het werkelijke inkomen van betrokkene. Overigens werd, gelet op de hoge kosten, de renovatie, ondanks de technische afschrijvingsduur, niet algemeen gebruikelijk geacht. Inmiddels is in een aantal Rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBNNE:2020:719, ECLI:NL:RBROT:2020:751, ECLI:NL:RBGEL:2020:1711 en ECLI:NL:RBNHO:2020:2313) de betreffende gemeenten nadrukkelijk gewezen op de gevolgen voor hun beleid vanwege deze uitspraak van de CRvB. Bovenstaande betekent, in aanvulling op en ter nadere precisering van hetgeen in deze paragraaf is aangegeven met betrekking tot het begrip algemeen gebruikelijke voorziening het volgende. Na een melding zal tijdens het onderzoek bekeken moeten worden of een algemeen gebruikelijke voorziening tot de mogelijkheden behoort. Deze beoordeling loopt aan de hand van de bovengenoemde criteria: ● niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking Hierbij moet bepaald worden, ook afhankelijke van de maatschappelijke opvattingen, in hoeverre een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo 2015. Dat wil zeggen dat men erover kan beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Van belang hierbij is de constatering dat veel voorzieningen oorspronkelijk bedoeld waren voor personen met beperkingen, maar inmiddels voor een ieder beschikbaar vanwege het gemak dat deze opleveren. Ook van belang is om te zien of de voorziening in de reguliere handel verkrijgbaar is, bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt. ● daadwerkelijk beschikbaar Bij dit criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikleijk kan worden aangemekrt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de betreffende supermarkt worden geboden. ● een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is Bekeken moet worden of de voorziening een passende bijdrage levert aan de situatiue waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Een elektrische fiets kan bijvoorbeeld in voorkomende gevallen als passende bijdrage worden aangemerkt. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt; een maaltijdservice of boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel kunnen worden gebruikt door de betreffende persoon gelet op diens beperkingen. ● financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De hoogte van de kosten is bepalend voor de beantwoording van de vraag of ook aan dit 4e criterium is voldaan. Een woningaanpassing die € 6.500,00 kost kan niet worden gedragen door een persoon met een inkomen op minimumniveau en kan om die reden niet worden geweigerd op grond van dat deze voorziening voor hem algemeen gebruikelijk is. Dit ongeacht of de betreffende woningaanpassing geheel of gedeeltelijk is afgeschreven. De hoogte van het inkomen van de cliënt speelt bij de beantwoording van deze vraag geen rol; ook bij een cliënt met een hoog inkomen is eerdergenoemde woningaanpassing niet algemeen gebruikelijk. Dit is ook logisch aangezien de toegang tot de Wmo 2015 dan inkomensafhankelijk zou zijn en dat is niet toegestaan (bijvoorbeeld CRVB:2013:2395). Uit vaste jurisprudentie over de relatief lage kosten van een boodschappendienst of maaltijdservice kan worden afgeleid dat deze kosten kunnen worden gedragen door een person met een inkomen op minimumniveau. Van belang hierbij is dat uit bijvoorbeeld CRVB:2017:1302 blijkt dat, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding Het is ter beoordeling aan het college of er op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032, CRVB:2018:1250 en CRVB:2019:3205). Bij structurele kosten zoals de maaltijdservice of de boodschappendienst kan dat anders zijn. Het college beoordeelt dan of de dienst beschikbaar is, een passende oplossing biedt en financieel draagbaar is. Uit de jurisprudentie blijkt overigens wel dat deze kosten ook passend worden geacht voor personen met een inkomen op het sociaal minimum (bijv. CRVB:2014:4276, CRVB:2017:1302, CRVB:2018:2182 en CRVB:2018:3093). Beoordelingskader De eerste drie vragen hebben betrekking op de vraag of de zaak of dienst algemeen gebruikelijk is. De vraag onder punt vier gaat over het antwoord op de vraag of de zaak of dienst voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het college beoordeelt de hier bovengenoemde vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een zaak of een dienst normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verstrekken van een maatwerkvoorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke zaak door een vergelijkbare persoon zonder beperkingen. Niet al te strikt Aan de andere kant wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de beoordeling van de eerste drie geformuleerde vragen door het college niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een elektrische fiets zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke zaak voor hem/haar kan zijn. Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb budget niet mag besteden aan een voor hem algemeen gebruikelijke zaak of dienst (zie art. 9.2, eerste lid, van de Verordening). Vervanging Het toepassen door het college van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke zaken worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als deze (technisch) zijn afgeschreven. Zie verder onder renovatie. Renovatie Renovatie heeft betrekking op roerende of onroerende zaken die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). In het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden de afschrijftermijnen van een aantal zaken genoemd. Voor personen met en zonder beperkingen geldt dat zaken na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Zaken (roerend of onroerend) die zijn afgeschreven kunnen algemeen gebruikelijk worden geacht. Voorbeelden zijn aanpassingen van badkamers (inclusief sanitair en kranen) of keukens. Omdat het bij een renovatie om relatief hoge kosten kan gaan, kan het inkomen van de cliënt een rol spelen bij de vraag of de aanpassing algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (CRVB:2019:3535). Betaalbaarheid condensdroger In CRVB:2005:AT8015 oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het kunnen beschikken over een condens droger, in de omstandigheden van belanghebbende, als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een condens droger niet een specifiek voor 'gehandicapten' ontwikkeld product is. Een onverwachts optredende noodzaak Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een zaak en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom deze voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. Denk vooral aan plotseling opgetreden beperkingen en de cliënt om die reden niet had kunnen voorzien dat hij aangewezen zou zijn op een dergelijke zaak. Wat onder plotseling wordt verstaan is in ieder geval afhankelijk van de algemene levensduur van de betreffende zaak. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt vóór zijn ondersteuningsbehoefte een gewone fiets heeft aangeschaft en binnen de reguliere vervangingstermijn van die fiets aangewezen is op een elektrische fiets. Meerkosten Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een zaak die voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn: Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Privaatrechtelijke verbintenis In het kader van de beoordeling door het college of de aanvraag gericht is op een algemeen gebruikelijke zaak, kan betekenis toekomen als er op grond van een privaatrechtelijke verbintenis aanspraak bestaat op het realiseren daarvan. Het college kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen of de eisen die in het algemeen aan een woning mogen worden gesteld (CRVB:2013:2509). Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is de aanvrager de eigenaar van de woning zal hij dat zelf moeten realiseren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel