Voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen en worden ingesteld te kunnen voldoen aan verplichtingen en voorzienbare risico’s. Het gaat hier om onvermijdelijke uitgaven voor gebeurtenissen die al hebben plaatsgevonden. Voorzieningen zijn niet vrij besteedbaar en worden dan ook aangemerkt als vreemd vermogen. Aan een voorziening zit een verplichting vast, de bestemming kan niet worden gewijzigd. Het BBV schrijft voor (artikel 44) wanneer voorzieningen worden gevormd.
Een voorziening moet ingesteld worden bij:
verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch wel redelijkerwijs is in te schatten;
op de balansdatum bestaande risico's met betrekking tot bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;
van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, uitgezonderd bepaalde voorschotbedragen. Daarbij gaat het om afdwingbare bestedingsverplichtingen van specifiek geoormerkte bedragen zoals een van het rijk ontvangen doeluitkering.
Een voorziening mag ingesteld worden bij:
kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt en die hun oorsprong vinden in het begrotingsjaar of daarvoor. Het doel is hiervan een gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren. Hierbij zou je kunnen denken aan onderhoudsvoorzieningen.