Reserves kunnen de volgende functies hebben:
Bufferfunctie: Dit is de belangrijkste functie van het eigen vermogen. De algemene reserve dient als bufferfunctie om onvoorziene financiële tegenvallers op te vangen. Deze functie heeft een sterke relatie met het weerstandsvermogen.
Bestedingsfunctie: Geldmiddelen worden gereserveerd voor de realisatie van specifieke activa/projecten. Voor de toekomstige realisatie hiervan wordt gespaard.
Inkomensfunctie: Door reserves en voorzieningen te gebruiken als eigen financieringsmiddel, wordt (aan de bank te betalen) rente bespaard. Vreemd vermogen hoeft dan namelijk niet geleend te worden. In de gemeentebegroting wordt door middel van een vast rentepercentage rente aan investeringen toegerekend. Ook aan die investeringen waarvoor geen vreemd vermogen is geleend.
Dekkingsfunctie: De reserve wordt aangewend voor dekking van bestaande exploitatielasten. Een bestemmingsreserve met een dekkingsfunctie kan alleen worden aangewend voor het “dekkingsdoel” waarvoor het is ingesteld. Bij het wijzigen van de bestemming ontstaat een tekort op de exploitatie, waarvoor aanvullende dekkingsmiddelen aangewezen moeten worden.
Egalisatiefunctie: Pieken en dalen van kosten en opbrengsten worden opgevangen voor een gelijkmatige verdeling hiervan over een aantal begrotingsjaren heen. Dit gebeurt vooral om ongewenste schommelingen (pieken en dalen) in de tarieven en het resultaat te voorkomen.
Voorzieningen hebben de volgende functie:
Verplichtingenfunctie: Een voorziening heeft een karakter van een verplichting die de gemeente is aangegaan en waarvoor de benodigde middelen beschikbaar moeten zijn (bijvoorbeeld pensioenverplichtingen).
Hoofdstuk 1
Artikel 2.4
Functies van reserves en voorzieningen
Onderdeel van Nota reserves en voorzieningen