Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag.
Naar aanleiding van de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders worden de opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problematiek in kaart gebracht, zo nodig door een specifieke jeugdhulpdeskundige waarbij de expertise van de deskundige kenbaar wordt gemaakt aan de jeugdige of zijn ouders.
Vervolgens wordt, zo nodig met hulp van een specifieke jeugdhulpdeskundige, vastgesteld welke jeugdhulp noodzakelijk is. Daarbij wordt gekeken naar:
Het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
Het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
De mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;
De mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening;
De mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
De in te zetten jeugdhulp wordt afgestemd op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen volgens de samenwerkingsafspraken op grond van hoofdstuk 5 van deze verordening;
Hoe rekening wordt gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; en
De mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een PGB, waarbij de jeugdige of zijn ouders worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Op basis van lid 3 a t/m h wordt een plan van aanpak gemaakt. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, zoals vermeld in artikel 7, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en informeert hen over de verwerking van hun persoonsgegevens en vraagt voor zover nodig aanvullende toestemming.
Wanneer de te onderzoeken gegevens al voldoende bekend zijn bij het college, kan het college in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek.