Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Intrekking standplaatsvergunning

Onderdeel van Standplaatsenbeleid Leusden 2021

1.. De standplaatsvergunning kan worden ingetrokken indien: blijkt dat een ander dan de vergunninghouder of de in de vergunning opgenomen, namens hem optredende persoon, de standplaats in gebruik heeft genomen, zonder dat het college hierover vooraf is geïnformeerd; een of meerdere voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden niet worden nageleefd; de vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; ter verkrijging van de vergunning onjuiste, dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; niet of niet tijdig de verschuldigde kosten worden voldaan die worden geheven voor gebruik van grond en elektra; wanneer gedurende een periode van drie aaneengesloten weken of vijf standplaatsdagen gedurende twee maanden geen gebruik wordt gemaakt van de standplaats; de toestemming van de eigenaar of de zakelijk gerechtigde van het terrein waarop een standplaats wordt ingenomen wordt ingetrokken of vervalt; de omstandigheden zodanig wijzigen dat het onredelijk is dat de vergunning in stand blijft; op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder. 2.. Het college kan, als zij onverwijld optreden noodzakelijk acht, de vergunninghouder in afwachting van de besluitvorming zoals bedoeld in lid 1 het recht ontzeggen om de standplaats gedurende een periode van maximaal vier weken daadwerkelijk in te nemen.

Rechtspraak bij dit artikel