Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.2

Juridische grondslag voor het beoordelen van een sloopmelding met een asbestcomponent en het toezicht houden op de uitvoering van de asbestverwijdering

Onderdeel van Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft houdende regels omtrent het Uitvoeringsbeleid Haaglanden voor de gemeentelijke basistaak asbest

Hieronder wordt onderscheid gemaakt tussen het toetsen van een asbestinventarisatierapport (AIR) als onderdeel van een sloopmelding en het toezicht houden en handhaven tijdens de asbestverwijderingswerkzaamheden zelf. 2.2.1 De sloopmelding In bijlage 1 is aangegeven welke gegevens en bescheiden de melder bij de sloopmelding moet aanleveren aan het bevoegd gezag. Een sloopmelding wordt ingediend via het Omgevingsloket Online. De melder ontvangt automatisch een ontvangstbevestiging. Het ontvangen/beoordelen van een sloopmelding is een gemeentelijke dan wel provinciale taak. In artikel 1.26, lid 6 onder g, staan de eisen aan de sloopmelding bij verwijdering van asbest. De sloopmelding moet vergezeld gaan van een AIR. Dit AIR is daarmee het deel van de sloopmelding dat relevant is voor het toezicht door de ODH. De eisen waaraan het AIR moet voldoen staan genoemd in artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar artikel 4.54a lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In dit laatste artikel is bepaald dat het AIR de resultaten moet bevatten van het asbestinventarisatieonderzoek. De meer concrete eisen aan de inhoud van een AIR zijn opgenomen in artikel 22 van het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering. Het rapport van Pels Rijcken geeft aan dat de melding (en daarmee het AIR) moet worden getoetst op volledigheid conform artikel 4.54a van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Wanneer een AIR niet volledig is, is feitelijk de melding niet compleet en moet het bevoegd gezag aanvullende stukken vragen. Tot de melding inclusief het AIR compleet is, is er geen melding gedaan conform de eisen, en blijft het verbod op sloopwerkzaamheden gelden. Pels Rijcken geeft tevens aan dat gemeenten en provincie de beleidsvrijheid hebben te variëren in de mate van indringendheid waarmee een sloopmelding wordt beoordeeld. Dit is conform het uitgangspunt dat een melding dient om het bevoegd gezag in staat te stellen toezicht en handhaving in te zetten (zie volgende paragraaf) als zij daar aanleiding voor ziet. Dat geldt ook voor het AIR (en het eventuele validatierapport) dat onderdeel uitmaakt van de sloopmelding. Het is mogelijk om de volledigheid van een AIR enkel te controleren op basis van een aantal vooraf overeengekomen parameters. 2.2.2 Toezicht en handhaving Voor het toezicht op de asbestcomponent van de sloop geldt in principe hetzelfde als voor de andere componenten van sloop: het bevoegd gezag beslist hoeveel inspanningen gerechtvaardigd zijn uitgaande van het risico dat de activiteit met zich meebrengt. Het toezicht en de handhaving door gemeenten en provincie tijdens de (bedrijfsmatige) asbestverwijdering is, gezien artikel 16 van het Asbestverwijderingsbesluit, beperkt tot de zorg dat: de bedrijfsmatige asbestverwijdering alleen wordt uitgevoerd door een bedrijf in bezit van het certificaat als bedoeld in art. 4.54d, eerste lid van het Arbo-besluit; direct na de asbestverwijdering een eindbeoordeling wordt uitgevoerd (binnenruimte) dan wel een visuele inspectie (buitenlucht) en dat het eindresultaat daarvan binnen twee weken wordt ingevoerd in het LAVS; geen andere werkzaamheden (dan de asbestverwijdering) worden uitgevoerd zolang de eindbeoordeling/visuele inspectie niet uitgevoerd en daaruit blijkt dat alles akkoord is. Eerder mag de reguliere sloop niet aanvangen. Gemeenten en provincies zijn dus op basis van het Asbestverwijderingsbesluit niet verplicht om erop toe te zien dat het AIR inhoudelijk juist is en dat de werkzaamheden op de juiste wijze worden uitgevoerd. Dat is geborgd middels certificeringen (het asbestverwijderingsbedrijf moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat de DTA tijdens de asbestverwijdering op de projectlocatie inhoudelijk toezicht houdt) en valt onder de verantwoordelijkheid van de minister SZW. Ook Pels Rijcken geeft in het advies aan dat de Inspectie SZW verantwoordelijk is voor het toezicht en de handhaving vanaf het moment dat is aangevangen met de feitelijke asbestverwijderingswerkzaamheden. In het rapport van Pels Rijcken wordt aangegeven dat de minister IenW (de Inspectie Leefomgeving en Transport) verantwoordelijk is voor de afvoer, opslag en de vernietiging van het asbest (bij het wettelijk minimum scenario stelt het gemeente geen aanvullende voorwaarden). Op termijn zal de minister IenW de bevoegdheid gezag rol overgedragen aan de gemeente. Gemeenten en provincies hebben in het kader van de Woningwet en het Bouwbesluit wel een toezichthoudende en handhavende bevoegdheid vanuit de zorg voor de leefomgeving. De intensiteit van het toezicht is onderwerp van besluitvorming door het bevoegd gezag. Feit is dat de leefomgeving voldoende is beschermd wanneer de werknemers voldoende beschermd zijn. In het algemeen geldt dat de werknemers een groter risico lopen dan de leefomgeving bij asbestverwijdering (zie ook paragraaf 2.1). Het uitgangspunt bij het bepalen van de omvang en diepgang van het toezicht en de handhaving door de deelnemers in de ODH is daarom dat de leefomgeving in beginsel voldoende is beschermd met het toezicht en handhaving door de Inspectie SZW. Het toezicht op de veiligheid van de leefomgeving kan daarom sterk worden beperkt. Op welke wijze het toezicht en de handhaving in de basis wordt uitgevoerd wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 4. Het toezicht van de Inspectie SZW is gericht op het veilig verwijderen van asbest door bedrijven vanuit de zorg voor werknemers. De Inspectie SZW heeft de bevoegdheid om vanuit dat oogpunt een sloop- of verwijderingswerk onmiddellijk stil te leggen. Wanneer een situatie onveilig is vanuit het oogpunt van de zorg voor werknemers, hoeft deze zeker niet onveilig te zijn voor de leefomgeving. Andersom zal dat wel het geval zijn. Een door de gemeente (in casu haar uitvoeringsorganisatie ODH) geconstateerde onveilige situatie voor de leefomgeving kan daarmee het beste direct doorgemeld worden aan de Inspectie SZW die het werk dan kan stilleggen en daarmee ook blootstelling van (veel) asbestvezels naar de leefomgeving voorkomt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel