Er bestaat een parkeerkaart voor personen die als gevolg van hun handicap hiervoor in aanmerking komen.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten gehandicaptenparkeerkaarten:
Een bestuurderskaart (zie onderdeel 1.4.1 van deze paragraaf);
Een passagierskaart (zie onderdeel 1.4.2 van deze paragraaf);
Een instellingskaart (zie onderdeel 1.4.3 van deze paragraaf).
In de artikelen 49 tot en met 55 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW), de artikelen 85 en 86 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en de Regeling gehandicaptenparkeerkaart zijn de wettelijke regels inzake het verstrekken en het gebruik van de GPK opgenomen.
Indien een GPK is verstrekt, mag met deze kaart:
geparkeerd worden op alle algemene gehandicaptenparkeerplaatsen (artikel 26 onder b RVV 1990);
onbeperkt geparkeerd worden op plaatsen waar voor anderen een beperkte parkeertijd geldt (artikel 85 jo. artikel 25 lid 2 RVV 1990);
geparkeerd worden buiten de parkeervakken in een parkeerschijfzone (artikel 85 jo. artikel 25 lid 2 RVV 1990);
maximaal drie uur geparkeerd worden langs een gele onderbroken streep (artikel 85 jo. artikel 24 lid 1 onder e RVV 1990). Er dient dan ook een duidelijk zichtbare parkeerschijf te worden aangebracht;
maximaal drie uur geparkeerd worden buiten de parkeervakken binnen een woon- of winkelerf (artikel 85 jo. artikel 46 lid 1 RVV 1990). Er dient dan ook een duidelijk zichtbare parkeerschijf te worden aangebracht;
maximaal drie uur geparkeerd worden op een plaats waar dat op grond van een parkeerverbodbord voor anderen verboden is (artikel 85 jo. artikel 62 RVV 1990). Er dient dan ook een duidelijk zichtbare parkeerschijf te worden aangebracht.
GPK’s kunnen alleen verstrekt worden ten behoeve van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en brommobielen (artikel 85 RVV 1990 jo. artikel 1 lid 1 Regeling gehandicaptenparkeerkaart).
Hoofdstuk 1
Artikel 1.2